Aflevering 4
15775
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15775,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

Aflevering 4

De ambulance rijdt met gillende sirene de straat uit. Wij rijden er achteraan. Olivia zit achter het stuur en kijkt om de seconde in haar achteruitkijkspiegel naar mij. Naast me zit Skip. Hij houdt mijn hand vast. Tranen rollen over mijn wangen, mijn hele lichaam trilt. Ik zie nu pas dat ook Olivia’s ogen rood zijn en dat er een traan over Skips wang biggelt.

‘Het komt vast goed met haar. Ze is heel sterk.’ Skips stem slaat over, ik hoor dat hij moeite heeft zijn eigen woorden te geloven.

Olivia rijdt hard, twijfelt bij een rood verkeerslicht, maar remt dan toch. De ambulance raast voor ons uit en steekt zonder af te remmen het volgende kruispunt over.

Als we uiteindelijk bij het ziekenhuis aankomen, rennen we de grote schuifdeuren door. Bij de balie worden we doorverwezen naar de afdeling waar nana zou liggen. Daar wordt ons gezegd dat we moeten wachten. Er komt zo een dokter.

‘Wat duurt het lang,’ zeg ik, nog voordat ik heb plaatsgenomen op de plastic kuipstoel.

Olivia gaat naast me zitten. ‘Je oma is in goede handen.’

Ik knik. Ik ben heel blij dat mijn vrienden bij me zijn. Ik zou niet weten wat ik zonder hen had moeten doen, maar mijn hart verlangt nu het meest naar Cooper. Ik wil hem bellen – ik heb eindelijk zijn nummer – maar ik durf niet. Hij weet niet eens van nana’s bestaan af. We hebben samen al mooie, intieme momenten beleefd, maar veel over onszelf of over ons leven hebben we nog niet besproken. Ik vond dat juist spannend, maar nu denk ik daar toch anders over. En ineens is het me duidelijk dat Cooper niets meer is dan een zomerliefde, een heerlijke flirt zonder verplichtingen. Ik besluit dat ik hem niet ga lastigvallen met mijn problemen.

De uren kruipen voorbij. Dokters, verpleegsters en ander personeel lopen langs, maar niemand van hen lijkt ons iets te kunnen zeggen over nana. Totdat na bijna vier uur er een man in een groen operatie-outfit naar ons toe komt lopen. Ik veer op van mijn stoel.

‘Mevrouw Hartley?’

‘Ja.’ Ik kijk de dokter met angst in mijn ogen aan. Skip houdt mijn ene hand vast, Olivia mijn andere.

‘Uw oma heeft geluk gehad dat u zo snel bij haar was. We hebben haar op tijd kunnen opereren. Het komt helemaal goed met haar.’

Ik barst in lachen en huilen tegelijk uit.

De dokter praat verder. Hij heeft het over een gescheurd aneurysma. Ik knik en probeer het moeilijke woord in me op te nemen, maar alleen het zinnetje dat het goed met haar komt, blijft hangen.

‘We houden haar voorlopig nog even hier ter observatie.’

‘Dank u wel, dokter.’

‘Uw oma is een sterkte vrouw voor haar leeftijd.’

‘Ja, die krijg je niet zomaar klein.’ Skip knijpt even in mijn hand.

‘Mag ik naar haar toe?’ vraag ik.

‘Ja, natuurlijk, maar blijf niet te lang. Uw oma heeft veel rust nodig.’

 

Nana had er zwak en oud uitgezien. Ik had maar even met haar gepraat, ze viel al vrij snel in slaap. Skip en Olivia hadden aangeboden bij me te blijven, maar ik had gezegd dat ik liever alleen wilde zijn, wat een leugentje was, want eigenlijk wil ik heel graag naar Cooper. Ondanks dat hij misschien alleen maar een zomerliefde is, wil ik zijn sterke armen om me heen, dat is voor nu genoeg. De teleurstelling was dan ook groot, toen bleek dat hij niet thuis was.

Nu zit ik in de wolshop met de deur op slot. Voor het raam hangt het bordje GESLOTEN. Ik neem plaats op de kruk achter de toonbank waar nana altijd op zit. Onder de toonbank ligt een breiwerk dat half af is.

Een hard geklop op de winkeldeur doet me bijna van de barkruk vallen. Het is de forse man met het dikke zilvergrijze haar met wie nana ruzie had staan maken. Instinctief duik ik in elkaar, maar het is te laat, hij heeft me al gezien. Een beetje terughoudend open ik de deur.

‘Is mevrouw Hartley aanwezig?’ vraagt hij nors.

Ik wil antwoorden, maar mijn keel zit dicht. Ik schud slechts mijn hoofd.

‘Wil je dit aan haar geven?’

Hij overhandigt me een grote, bruine envelop. ‘Zeg maar tegen haar dat dit ons laatste bod is.’

Nog voordat ik kan reageren is de man al vertrokken. Ik draai de winkeldeur weer op slot en leg de envelop op de toonbank. De achterkant is niet dichtgeplakt. Ik denk aan hoe zwak nana eruit had gezien in haar ziekenhuisbed en besluit dat het geen goed idee is om haar met zaken als dikke enveloppen lastig te vallen. En dus maak ik hem open.

Er zit een flink pak papier in. Ik begin vluchtig te lezen en kan mijn ogen niet geloven. Wat is dit? Ik zie termen staan als uitkopen, nieuwe bestemming, horeca. Ik blader verder en zie veel ambtelijke taal staan die ik niet direct begrijp. Dan valt mijn oog op een bedrag dat wordt genoemd. In de laatste regel staat een deadline. Daaronder handtekeningen met de namen: W. Withaker en C. Withaker.

 

Het is inmiddels tien uur ´s avonds. Ik zit nog steeds op dezelfde barkruk. Het contract, want dat blijkt het pak papier te zijn, ligt nog steeds voor mijn neus. Ik heb het inmiddels wel vijf keer gelezen en beetje bij beetje begin ik te begrijpen wat er in staat. Het bedrijf Withaker en Zoon heeft al meerdere biedingen op de wolshop gedaan en dit is de laatste. Voor het einde van de maand moet de wolshop weg op deze locatie. De gemeente wil in het straatje waar de wolshop al meer dan dertig jaar zit alleen nog maar horecagelegenheden hebben.

Het object zoals het officieel wordt genoemd betreft niet alleen de winkel, maar ook de woonruimte erboven. Nog even en dan is nana dakloos.

Mijn oog valt weer op de naam C. Withaker. Ik weet het natuurlijk niet honderd procent zeker, maar het moet hem wel zijn. Hij was aan het wachten op een nieuwe opdracht. Alleen duurde het wat langer, vanwege… hoe had hij het ook alweer genoemd… een  hinderlijk oponthoud. Nana is een hinderlijk oponthoud.

 

Mijn vuisten doen zeer van het bonken tegen de glazen pui, maar het kan me niet schelen. Al moet ik dwars door de ruit slaan en al bloed ik dood, mijn woede is niet meer te houden. Achter me ruist de zee, erboven hangt een volle maan.

Cooper schuift de pui open en kijkt me met slaapogen aan. ‘Hé, alles oké?’ Hij wil me in zijn armen nemen, maar ik houd hem tegen.

‘Nee.’ Ik probeer mijn tranen in te houden. Ik had het mezelf nog zo beloofd.

‘Wat is er?’

‘Nana… mijn oma is vandaag geopereerd. Ze was bijna doodgegaan.’

‘Ally… wat verschrikkelijk. Kom binnen.’

Ik schud mijn hoofd. Daarna houd ik de envelop in de lucht.

‘Ze zal nooit tekenen, dat weet ik zeker. Die winkel is alles voor haar.’

En ineens verschiet Coopers gezicht. ‘Zíj is jouw oma?’

Hij wist het niet. Het is alsof mijn lichaam is verlamd. De envelop valt uit mijn hand en ik begin te huilen. Nu laat ik Cooper wel toe. Hij neemt me in zijn armen en ik verberg mijn gezicht tegen zijn brede borst.

‘Och, Ally…’

‘Er is iets geknapt in haar lichaam. Een aneu… nog wat. Het had niet veel gescheeld of ze was dood geweest.’

‘Shh… stil maar.’

Cooper kust mijn tranen weg.

‘Ik kon de deur niet open krijgen en… en…’

‘Wanneer is dit gebeurd?’

‘Van… vanmorgen.’

‘Hoe laat? Ik ben nog met mijn vader langs je oma geweest.’

Ineens lijken mijn tranen op te zijn. ‘Wat?’

‘Ja, we waren er rond half elf.’

Ik was nog maar net naar de stomerij. Ze waren bij nana geweest toen ik er niet was.

‘Je oma was nog fel. Mijn vader trouwens ook.’

Ze hadden ruzie gemaakt. Alweer. Ze hadden het bloed onder nana’s nagels vandaan gehaald. Ze hadden haar zo van slag gemaakt, dat nana daarna in elkaar was gezakt. Zo moet het zijn gegaan.

Ik ruk me los uit Coopers armen. ‘Het is jullie schuld.’

‘Ally…’

Ik ren de veranda af, het strand op naar mijn eigen huis. Achter me hoor ik Cooper nog een paar keer mijn naam roepen.

 

Bij ieder geluid veer ik op, omdat ik denk dat het Cooper is die voor mijn deur staat, maar steeds is het de wind, een meeuw die de slaap niet kan vatten of een dronken toerist die over het strand zwalkt. En ik ben blij dat het steeds Cooper niet is, want ik ben kwaad. En verdrietig tegelijk.

Mijn mobiel rinkelt. Met bonzend hart pak ik het ding op. Het is Olivia. En opeens weet ik niet meer of ik nou blij of toch teleurgesteld ben dat het niet Cooper is die me belt.

‘Hoi,’ zeg ik.

‘Ally. Sorry dat ik nog zo laat bel, maar ik moest eerst Thom afzetten bij de haven. Hij is weer varen. Hoe gaat het nu?’

‘Gaat wel.’

‘Weet je het zeker, girl?’ Skips stem klinkt ver weg, maar ik weet dat hij naast Olivia zit.

‘Nee.’

‘We komen eraan.’

 

Het duurt slechts een klein kwartier voordat de emotionele hulptroepen zijn gearriveerd.

‘Je moet nu niet alleen zijn,’ zegt Olivia.

‘Ik had eigenlijk wel verwacht dat Cooper hier zou zijn.’ Skip kijkt om zich heen alsof hij zomaar ergens vanachter de bank tevoorschijn kan komen.

‘Die komt er niet meer in.’

‘Hè, hoezo?’

Ik voel weer een woede opkomen en ik bal mijn vuisten. Daarna sta ik op en pak de envelop van tafel. ‘Hier, lees dit maar eens.’

Skip opent de envelop en trekt een moeilijk gezicht bij het zien van de vele papieren.

‘Het is een contract. Ze willen nana’s wolshop overnemen.’

Olivia trekt de dikke stapel uit Skips handen. ‘Wat?’

‘De gemeente heeft het bestemmingsplan gewijzigd. In dat stuk van het centrum moeten alleen nog maar horecagelegenheden komen.’

‘Wist jij hiervan?’ Skip graait het contract uit Olivia’s handen en begint er vluchtig doorheen te bladeren.

‘Nee, nana heeft nooit gezegd dat de wolshop weg moet. En haar woning. Het betreft het hele pand. Ik begrijp nu waarom ze de laatste tijd zo gestrest is.’

Skip geeft het contract terug aan Olivia. Het is duidelijk dat hij er niets van begrijpt. Olivia daarentegen gaat met haar wijsvinger over de woorden, leest sommige termen hardop voor en kijkt me dan aan. ‘Maar dit is een belachelijk bod.’

‘Ja, ik weet het. Nana wil niet verkopen en ik begrijp waarom.’

Skip knipt met zijn vingers voor aandacht. ‘Ja, hallo, maar nu weet ik nog steeds niet waarom die knappe buurman van je niet hier is.’

‘Zie je die naam onder dat contract?’

‘Withaker,’ leest Olivia voor. ‘W. Withaker en… ojee, C. Withaker.’

‘En raad eens waar de C voor staat,’ zeg ik.

‘Cooper?’ vraagt Skip op een toon waarop hij het antwoord zelf al weet.

‘Yep.’

Skip valt achterover in zijn stoel en staart ongelovig naar de muur. ‘Dat meen je niet. Ik dacht dat hij timmerman was.’

‘Interieurontwerper. Hij moet de inrichting verzorgen van de horecazaak die daar moet komen.’

‘En W. Withaker?’ vraagt Olivia.

‘Dat is zijn vader. De forse man met het zilvergrijze haar met wie nana steeds ruzie had.’

‘Geen potentiële relatie dus?’

‘Nee, niet op liefdesvlak in ieder geval en zeker niet op zakelijk vlak. Nana wil niet tekenen.’

Olivia kijkt me vragend aan. ‘Maar hoe moet het dan verder met de wolshop?’

‘Geen idee.’

 

Mijn hoofd voelt als een wattenbol na de onrustige nacht waarin ik misschien twee uurtjes heb geslapen. De rest van de tijd heb ik liggen malen. Nana wil de wolshop niet verkopen aan het investeringsbedrijf Withaker & Zoon en ik ben haar er alleen maar dankbaar voor. Het moet mijn boekwinkel worden, ooit. Misschien moet ik eens met een ambtenaar van de gemeente gaan praten, alhoewel ik de kans nihil acht dat ik het bestemmingsplan nog kan veranderen.

Ik ga de winkel vandaag niet openen. Gisteravond heb ik een bordje voor het raam gehangen dat we vanwege omstandigheden gesloten zijn. Eigenlijk is dat bordje overbodig, omdat in een stadje als Hallixston iedereen inmiddels al wel zal weten dat nana in het ziekenhuis ligt.

Er wordt op de schuifdeur geklopt. Ik verstijf, want ondanks dat de gordijnen nog gesloten zijn en ik dus niet kan zien wie er op de veranda staat, heb ik een vermoeden wie het is. Ik wacht al de hele ochtend op het moment dat Cooper voor mijn deur staat. En nu is het zover.

Ik blijf heel stilletjes op de bank zitten in de hoop dat hij dan misschien wel weer weggaat. Voetstappen kraken over de houten planken van de veranda. In gedachten zie ik Cooper op zoek gaan naar een spleet tussen de gordijnen waardoor hij naar binnen kan kijken. Vlug schieten mijn ogen ook langs de gordijnen, maar alles zit potdicht.

Ik spits mijn oren als ik hem weer naar rechts hoor lopen. Gespannen wacht ik op nog meer geklop op de glazen deur, maar er gebeurt niets. Het lijkt erop dat hij het heeft opgegeven.

Langzaam sta ik op van de bank en schuif het gordijn een stukje opzij. Dan zie ik hem staan. Hij kijkt me recht aan. Het blijkt niet Cooper te zijn, maar Brian.

 

‘Ik kon het niet geloven toen ik het hoorde.’ Brian zucht er diep bij. ‘Nana in het ziekenhuis.’

Ik weet niet waar ik meer over verbaasd ben; het feit dat het nieuws al in Brighton bekend is of dat Brian hier tegenover me op de bank zit. Ondanks dat hij een oude bekende is, voelt het vreemd. Misschien komt het door zijn voor mij nieuwe rossige baard waardoor hij mannelijker lijkt dan ooit.

‘Hoe gaat het nu met haar?’

‘Ze is geopereerd en volgens de dokter moet het goed komen. Maar ik vond dat ze er nog heel zwak uitzag gisteren.’

‘En hoe gaat het met jou?’ Brian kijkt me bezorgd aan.

‘Het gaat. Het was behoorlijk schrikken, maar volgens de dokter moet het dus goed komen.’

‘Dat is fijn om te horen. Je oma is een sterke vrouw, ze komt er wel weer bovenop, ondanks haar leeftijd.’

Brians woorden klinken lief en oprecht. Toch heb ik moeite om ze te geloven. Ik kan er niets aan doen, maar ik blijf hem maar met die blonde Zweedse voor me zien. Hij heeft er nog met geen woord over gerept. Denkt hij nou echt dat hij hier zomaar op de stoep kan staan en doen alsof er niets is gebeurd?

Ineens staat Brian op. ‘Zal ik koffie voor ons zetten?’

Nog voordat ik kan antwoorden, begint hij al in de keuken te rommelen. Het voelt als een omgekeerde wereld. Ik zou koffie voor hem moeten zetten, aangezien hij mijn gast is, maar ik verroer geen vin. Brian pakt met één hand twee mokken uit het bovenste keukenkastje door zijn vingers in de oren te haken, zoals hij altijd deed. Ik kijk naar zijn handelingen die vertrouwd zijn, het is net of hij nooit uit mijn keuken is weggeweest.

‘Hoe gaat het met jou?’ vraag ik als hij de mokken op tafel zet.

‘Eigenlijk wel goed. Ik geef les op de uni van Brighton.’

En ineens begrijp ik waarom nana zo graag wil dat ik daar ga solliciteren. Ze weet vast dat Brian er werkt.

‘Ik heb gehoord dat ze er een lerares Engelse literatuur zoeken. Of heb je al een baan?’

Ik neem een slok van mijn koffie. ‘Nee, ik wil gaan…’

‘Gaan wat?’

Ik zucht diep. ‘Ik wilde gaan reizen, maar nu met nana…’

‘Waarnaartoe?’

‘Zuid-Amerika. Maar dat gaat nu dus niet. Ik had nana trouwens nog niet over mijn reisplannen verteld, dus voor haar verandert er niets.’

‘Maar voor jou wel. Misschien dat je over een paar weken alsnog kunt vertrekken?’

‘Ik weet het niet. Ik wil nana niet alleen laten.’ Even twijfel ik of ik Brian over de wolshop en de toekomst ervan moet vertellen, maar uiteindelijk besluit ik te zwijgen.

‘Hé.’ Brian pakt de mok uit mijn handen en zet hem op tafel. ‘Gaat het? Je lijkt ineens heel ver weg met je gedachten. De dokter heeft toch gezegd dat het goed komt.’

Ik knik. Brian moest eens weten welke gedachten in mijn hoofd ronddwalen. Met nana mag het dan gelukkig wel goed komen, maar hoe moet het toch met de winkel? En waar moet ze straks gaan wonen? Ik voel tranen opkomen en met alle macht probeer ik ze in te houden. Vlug draai ik mijn hoofd weg.

‘Wil je een koekje?’ vraag ik, terwijl ik opsta en naar de keuken loop.

Uit de kast haal ik een trommeltje tevoorschijn, maar dan herinner ik me weer wat er in zit. Ik wil het terugzetten, maar Brian staat ineens achter me. Hij neemt het trommeltje uit mijn handen en zet het op het aanrecht. Daarna pakt hij me bij mijn schouders vast en draait me naar zich toe. We staan dicht bij elkaar. Ik kijk naar de grond en ontwijk Brians blik.

‘Je hoeft je voor mij niet groot te houden, hè.’ Brian tilt mijn kin op.

Er loopt een traan over mijn wang en ik wil hem wegvegen, maar ik stoot met mijn hand tegen zijn arm. ‘Sorry.’

‘Ik wou dat ik je zorgen en verdriet kon wegnemen. Het is ook zo heftig allemaal.’

Ik haal mijn neus op. ‘Ik ben zo bang geweest.’ Een nieuwe traan kondigt zich aan en nog voordat ik hem kan wegvegen, strijkt Brian al met zijn duim over mijn wang. ‘Ach, meisje toch.’

En dan houd ik het niet meer droog. Zijn vertrouwde woorden die hij zo vaak tegen me heeft gezegd, vervagen het beeld van de Zweedse blondine. Opeens kan ik me alleen nog maar onze fijne tijden herinneren.

Brian trekt me naar zich toe en wrijft met zijn hand over mijn rug. Ik begraaf mijn gezicht in zijn T-shirt en laat mijn tranen de vrije loop. Alle spanningen moeten eruit. Ik heb behoefte aan iemand die nana goed kent, die mij goed kent en weet hoe hij me moet troosten.

‘Kom, dan gaan we nog even zitten.’ Brian neemt me mee naar de bank waar hij me in de hoek laat plaatsnemen. Zelf gaat hij ook zitten, maar op een meter bij me vandaan.

‘Weet je nog die keer dat nana op haar pantoffels de ladder op was geklommen, omdat ze vlaggen aan de gevel wilde hangen?’

Ik knik. ‘Ja, en of ik dat nog weet. Als jij er toen niet was geweest.’

Ik denk terug aan het moment dat nana’s pantoffel achter een van de traptreden was blijven haken. Ik stond in de winkel en hoorde een gil. Gelukkig kwam Brian net aanlopen en wist haar op te vangen.

‘Ik ben nog steeds blij dat ze niet veel weegt.’ Brian begint te lachen. ‘Maar die vlaggenstok deed wel pijn.’

Ik schiet ook in de lach. Brian had een week lang met een bult op zijn voorhoofd gelopen.

‘Dank je wel dat je hier bent.’

‘Ik wist niet zeker of je me wilde zien, nadat…’ Hij draait zijn hoofd weg. ‘Maar ik vond gewoon dat ik naar je toe moest gaan.’

Er volgt een stilte. Ik weet niet of hij verwacht dat ik nu ga zeggen dat ik hem vergeef, want dat gaat niet gebeuren. Daarvoor doet het nog te veel pijn.

Brian pakt de trommel van tafel die hij blijkbaar uit de keuken heeft meegenomen zonder dat het me is opgevallen. Hij opent de deksel en pakt er een Braziliaans alfajores koekje uit en stopt het in zijn mond. ‘Mm… lekker.’ Brian likt zijn vingers af en neemt er nog een. Luid kauwend en kruimelend veegt hij daarna zijn mond af. ‘Ik moest maar weer eens gaan.’

Verschrikt kijk ik op de klok, het blijkt opeens een uur later te zijn dan zojuist. Het bezoekuur is al begonnen. Ik moet ook gaan.

‘Ik blijf nog de hele week in Hallixston, dus mocht je gezelschap willen, dan kun je me vinden in Hotel Hallixston Bay.’ Uit het niets geeft Brian me een zoen op mijn wang.

Ik schrik en deins terug. ‘Sorry.’

‘Nee, mijn fout. Zo bedoelde ik het niet. Ik wilde alleen…’

Voor de tweede keer sinds zijn bezoek valt er een stilte, die ongemakkelijk aanvoelt en eindeloos lijkt te duren. Het enige wat ik hoor, is mijn ademhaling, snel en onregelmatig.

En dan, zonder nog iets te zeggen, verdwijnt Brian door de schuifdeur.

 

Het is inmiddels vier dagen geleden dat nana is geopereerd en ze knapt met de dag verderop. Ik krijg dan ook de schrik van mijn leven als ik zie dat het ziekenhuisbed leeg is.

Vlug ren ik de gang op, op zoek naar een dokter of verpleegster, maar dan hoor ik nana’s stem. Ze blijkt in de personeelskamer te zitten en klinkt luid en opgewekt.

Nieuwsgierig steek ik mijn hoofd om de hoek. Nana zit aan de kop van de tafel en vertelt honderd uit. De verpleegsters schieten in de lach, het is een vrolijke boel.

‘Allison! Kom binnen, het is hier heel gezellig.’

Een van de verpleegsters staat op. ‘Ik moet weer aan het werk, maar je oma is een prachtmens. We zullen haar missen.’

‘Mag je naar huis?’ vraag ik.

‘Ja, ze hebben genoeg van me.’

Direct komt een oudere, grijsblonde verpleegster in opstand. ‘Nee hoor, wij krijgen nooit genoeg van u, maar de dokter laat u gaan.’

‘Is dat niet wat vroeg?’ vraag ik.

‘Het komt door de goede zorg hier, antwoordt nana. ‘Deze lieverds zijn kleine wondertjes.’

‘U bent zelf een wonder.’ De verpleegsters staan nu allemaal op en nemen afscheid van nana. ‘En denk eraan, rustig aan doen.’

‘Zal ik zeker doen,’ zegt nana.

De laatste verpleegster die de kamer verlaat, kijkt nana streng aan. ‘Let jij een beetje op haar?’ zegt ze daarna tegen mij.

‘Doe ik.’

In de auto twijfel ik of ik over het contract moet beginnen. In het ziekenhuis wilde ik er niet met nana over praten, omdat ik haar nog te zwak vond, maar nu zullen we het toch moeten bespreken. Het einde van de maand komt steeds dichterbij en ik weet niet wat er gaat gebeuren als nana niet tekent voor die datum. Ondanks de druk die ik voel, besluit ik het voor nu toch nog even uit te stellen.

‘Is de winkel gesloten?’ vraagt nana als we bijna bij de wolshop zijn.

‘Ja, het lijkt me beter dat we vandaag niet opengaan.’

‘Waarom niet? Ik kan gewoon weer aan het werk, hoor.’

‘Maar de verpleegster zei, dat…’

‘Ik voel me prima.’

En daar is nana weer in al haar glorie; strijdbaar en standvastig. ‘We kunnen onze klanten toch niet teleurstellen.’

‘Nana…’

‘Het is nog geen middag, dus we kunnen nog een paar uurtjes open. Dat gaat me wel lukken.’

Ik besluit er niet tegen in te gaan. Ik ken nana, als ze iets in haar hoofd heeft, moet het gebeuren.

 

Het is inmiddels vijf uur en de hoogste tijd om de winkel te sluiten. Nana had uiteindelijk toch niet achter de toonbank gestaan, maar was naar bed gegaan en daar ligt ze nu nog. Bij thuiskomst was haar enthousiasme om aan het werk te gaan ineens verdwenen. De vermoeidheid had haar te pakken en of ze nu wilde of niet, ze moest toch echt gaan rusten.

Ik had de winkel in mijn eentje gedraaid en dat was eerder een saaie dan een vermoeiende taak geweest, want er was in totaal één klant binnen geweest.

In de opslagkamer doe ik alvast het licht uit en draai de achterdeur op slot. In de winkel rinkelt de bel en ik slaak een zucht van irritatie om de klant die net voor sluitingstijd nog even binnen wipt. Met moeite veins ik een glimlach op mijn gezicht en loop zo enthousiast mogelijk de winkel in, maar schrik als ik zie wie het is.

‘Wat doe jij hier?’

‘Ik wilde weten hoe het met je oma is.’

Ik kijk Cooper niet bepaald vriendelijk aan. Hoe durft hij zich hier te laten zien? Nota bene op de plek waar nana is bezweken vlak na hun verhitte discussie.

‘Ik wil dat je weggaat.’ Ik probeer de trilling in mijn stem te onderdrukken, maar ik slaag er niet echt in. Mijn woede is te groot.

‘Gaat het goed met haar?’

‘Het gaat, maar niet dankzij jou. Of je vader.’

‘Ally, ik…’

Cooper komt langzaam op me aflopen. Ik doe een paar passen achteruit en mijn rug raakt het dikke gordijn.

‘Laat het me uitleggen, alsjeblieft.’

‘Er valt niets uit te leggen. Jullie hebben mijn oma bedreigd. Jullie…’

‘Bedreigd klinkt nogal sterk, vind je zelf ook niet?’

‘Hoe wil je het dan noemen als je iemand zoveel schrik aanjaagt dat er een bloedvat knapt?’

‘Het spijt me wat er met je oma is gebeurd, maar ik denk niet dat…’

‘Cooper, ik meen het. Ga weg. Dat tussen ons was een vergissing. Ik wil je niet meer zien.’ Tranen branden in mijn ogen, niet van verdriet, of ja, misschien ook wel, maar vooral van kwaadheid. Op hem, maar ook op mezelf, want ik had nooit iets met hem moeten beginnen.

Even lijkt Cooper te twijfelen, zijn hand neigt naar de mijne, maar hij houdt zich in. Met een zucht loopt hij naar de deur. Terwijl de bel rinkelt, draait hij zich nog even om. ‘Ally, vanaf het moment dat ik je zag, heb je mijn hart veroverd. Dat zal nooit veranderen. Ik wil gewoon dat je het weet.’

Terwijl de deur met een klap dichtvalt, lijkt mijn hart met een klap uiteen te vallen.

 

*********************************************************************

Categorie
Series