De moord op Sinterklaas
15709
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15709,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

De moord op Sinterklaas

Inspecteur de Wit weet al wat er in het pakje zit dat slordig met knalgeel pakpapier en te veel plakband is ingepakt. Aan de punt bungelt een dikke rode druppel. Ernaast ligt een dichtgevouwen vel papier en een lichaam van een man die niet meer ademt. Zijn rode stola lijkt versmolten met de plas bloed die eronder ligt.
‘Doodsoorzaak?’ vraagt inspecteur de Wit.
‘Alles lijkt erop dat deze man op dezelfde wijze is vermoord als zijn voorganger,’ antwoordt de lijkschouwer.
‘Verdomme, dit is de tweede sinterklaas die het loodje legt nog voordat het vijf december is.’ Inspecteur de Wit knielt neer naast het slachtoffer. Het gezicht van de man is zo wit als zijn pluizige wattenbaard en zijn ogen, die wellicht ooit helderblauw zijn geweest lijken nu twee waardeloze knikkers zonder glans. Zijn mond staat in een grimas die niet bij een goedheilig man past. Een kindervriend in koelen bloede vermoord.
Twee jonge mannen tillen het lichaam van het slachtoffer op en leggen het op een brancard. De mijter blijft tot ieders verbazing goed zitten. De plas bloed ligt nu in een wit omlijnd silhouet van de man die hier het leven liet. Inspecteur de Wit raapt het felgekleurde pakje van de grond en maakt het voorzichtig open. Hij slaat zijn ogen neer als hij het stoepkrijt ziet. Een van de krijtjes is afgestompt, het kunstwerk van de moordenaar ligt voor hem op de grond.
‘De Sint liep te denken, wat hij jou zou schenken,’ leest de lijkschouwer voor van het papier dat naast het lichaam is achtergelaten. ‘Geen pop, kaatseballen of banketstaaf, maar een loden staaf.’
Inspecteur de Wit zucht. ‘Hetzelfde rijmpje, waarschijnlijk dus ook hetzelfde moordwapen.’
De lijkschouwer knikt. ‘Wie doet toch zoiets?’
‘Een harteloos persoon die niet in tradities of magie gelooft.’
‘Gelukkig is het morgen vijf december, ik neem aan dat het moorden daarna in ieder geval ophoudt.’
Inspecteur de Wit kijkt zijn collega verschrikt aan. ‘Dat is nog een hele dag.’Hij spiekt op de klok boven de schouw die ineens heel hard lijkt te tikken. Het is tien uur ‘s avonds. ‘Als je de uren van vandaag niet meerekent,’ zegt hij er zachtjes achteraan.
Deze man is vermoedelijk vermoord nadat hij eerder deze avond zijn rol als Sint heeft gespeeld. Nietsvermoedende kinderen hebben liedjes voor hem gezongen, pakjes in ontvangst genomen en zich misselijk gegeten aan pepernoten en chocoladeletters. Inspecteur de Wit kijkt de huiskamer van het slachtoffer rond. Op tafel liggen tekeningen, sommige slechts krassen in vier of vijf kleuren door elkaar, andere zijn heuse creaties die naar zijn mening prima in een museum voor moderne kunst zouden passen. Rechts of links bovenin staan de namen en de leeftijden van de jonge fans.
‘Inspecteur, komt u even buiten kijken.’
Inspecteur de Wit volgt de stem van de forensisch medewerker die op zijn hurken in de voortuin van het huis van het slachtoffer zit.
‘De dader moet het slachtoffer vanaf de straat hebben gevolgd. In de sneeuw zijn meerdere voetstappen te zien.’
Inspecteur de Wit knielt ook neer en kijkt naar duidelijke, in de witte massa verzonken schoenafdrukken. Een spoor van grote en kleinere afdrukken loopt vanaf de stoep naar de voordeur. Alleen het spoor van de kleinere afdrukken komt terug vanaf het huis en gaat in de richting van de straat, maar komt daar nooit aan. Halverwege het tuinpad houdt dat spoor ineens op, alsof de dader in rook is opgegaan.
‘Precies hetzelfde als bij de vorige moord op een sinterklaas,’ zegt de medewerker.
Inspecteur de Wit begrijpt het ook niet – een unheimisch gevoel zeurt in zijn buik – maar hij verschiet misschien nog wel meer bij hetgeen zijn collega zegt: de vorige moord op een sinterklaas. Het klinkt onwerkelijk, net zo onwerkelijk als de verdwenen voetsporen. Het heeft iets buitenaards. Als vanzelf kijkt hij omhoog naar de zwarte hemel waar met sneeuwbeladen wolken getuigen moeten zijn geweest van de vlucht van de moordenaar.
‘Onderzoek of de dader ergens opgeklommen kan zijn en zo kan zijn gevlucht. Een boom misschien? Of een kliko? De opdracht lijkt zinloos met alleen een laag heggetje dat aan de straat grenst, maar het is al vaker gebeurd dat sporen die aanvankelijk onzichtbaar leken, later toch gevonden werden op een plek waar niet eerder was gezocht. ‘En zoek uit wat de twee slachtoffers met elkaar gemeen hebben. Of ze elkaar kenden. Of ze dezelfde vriendenkring hadden, of bij dezelfde sportschool of vereniging zaten.’ Hij weigert te geloven dat het feit dat ze allebei in hetzelfde harnas zijn gestorven de enige overeenkomst is.

 

Op hetzelfde moment knoopt een man zijn jas los en blaast zijn adem uit die in wolkjes van zijn lippen ontsnapt, terwijl hij de loden staaf schoonwast in de sneeuw. Nog maar één dag te gaan. Hij had eerder moeten beginnen, iets wat hij volgend jaar zeker zal doen. Hij weet dat dan de situatie opnieuw hetzelfde zal zijn, maar misschien kan hij morgen, als hij een beetje opschiet, toch alvast een verschil maken. Ze zijn met te veel, dat beseft hij ook wel, maar hij heeft de tijd. Dit jaar, volgend jaar en als het moet het jaar erop, net zolang totdat de traditie dood is.

Het is pas vijf uur, maar inspecteur de Wit ligt al een uur wakker, zijn ogen gericht op het plafond dat daar ergens in het donker boven hem hangt. Deze zaak is wellicht de meest bizarre en tegelijkertijd ook de meest trieste uit zijn hele carrière. Vandaag is het vijf december, traditiegetrouw de dag van een kinderfeest met pakjesavond waarop liedjes worden gezongen en suikergoed wordt weggehapt. Voor volwassenen is het eindelijk hét moment om hun zelfgeknutselde surprise te geven en rijmen voor te lezen die al dan niet volgens de dichtelijke vrijheid zijn geschreven. Hij denkt terug aan het rijmpje dat de moordenaar heeft achtergelaten, telkens met dezelfde woorden en het pakje waar beide keren stoepkrijt in had gezeten, waarmee de moordenaar als een soort handtekening de contouren van zijn slachtoffers had afgetekend op de vloer.
Hij knipt het licht aan en pakt zijn leesbril van het nachtkastje. Uit het laatje haalt hij een bloknote en een potlood en begint te schrijven. Ondanks dat de woorden niet rijmen, valt hun klemtoon vanzelf op de juiste plaats in de zinnen. Zinnen die hij over een paar uur zal oplezen, achter een microfoon en in het gezelschap van journalisten en cameramensen die zijn boodschap aan het volk moeten overbrengen. Een mededeling die de vreugde bij de keel zal grijpen, zowel bij kinderen als bij hun ouders, maar met twee identieke zaken kan hij niet anders. Hij moet het volk waarschuwen.

 

Uren later, als hij zich meldt op het politiebureau, ziet hij dat de bodem van de grote glazen snoeppot bij de receptie inmiddels zichtbaar is. Zijn collega’s – inclusief hijzelf – hebben de verleiding van pepernoten, schuimpjes en ander strooigoed niet kunnen weerstaan. Hij schroeft de deksel open en graait met zijn vingers een handje plakkerige snoepjes bij elkaar en stopt ze allemaal tegelijkertijd in zijn mond. Hij heeft energie nodig voor de taak die hem te wachten staat.
‘De perszaal is gereed,’ verwelkomt een agent hem.
Inspecteur de Wit humt met volle mond en loopt naar de ruimte waar miljoenen Nederlanders via de media getuige zullen zijn van een unieke persconferentie.
Een kwartiertje later zit hij aan een tafel met een tiental microfoons onder zijn neus en gapende cameralenzen tegenover hem. Als alle rode lampjes branden, haalt hij diep adem en begint hij voor te lezen wat hij deze ochtend zo vroeg had geschreven.
‘Beste mensen, het doet mij veel verdriet u te moeten meedelen dat in de afgelopen vierentwintig uur twee hulpsinterklazen op onnatuurlijke wijze om het leven zijn gekomen.’
Hij heeft expres voor het woord “hulpsinterklazen” gekozen, omdat hij vreest dat er ook jonge kijkers voor de buis zitten op dit tijdstip. Het liefst had hij gisteravond laat nog een persconferentie belegd, maar daarvoor was het te kort dag geweest. Het woord “vermoord” had hij doorgestreept. Het woord “dood” ook.
‘Vandaag is het vijf december en ik weet dat er veel hulpsinterklazen op weg zullen gaan. Wij doen er alles aan om de dader (het woord “moordenaar” had hij ook doorgestreept) te achterhalen, maar in de tussentijd willen wij u dringend verzoeken om niet alleen op pad te gaan. Een ander dringend advies dat wij u willen geven, is neem uw outfit (hij hoopt maar dat jonge kinderen dat woord nog niet begrijpen) mee in plaats van het thuis al aan te trekken. Ook dringen wij erop aan dat u na uw bezoek weer als gewoon geklede burger over straat gaat. Indien u een buitenoptreden heeft, adviseren wij u dringend altijd in gezelschap van anderen over straat te gaan (het leek wel geheimtaal, maar hij was er zeker van dat volwassenen de boodschap zouden begrijpen en hoopte maar dat kinderen hun ogen inmiddels alweer op hun ipad hadden gericht). ‘Ik wil nog even benadrukken dat de slachtoffers niet zijn aangevallen tijdens het uitoefenen van hun hobby. (hij had geen ander woord geweten). Er zijn dus nooit kinderen in gevaar geweest. Op een later tijdstip zullen wij meer over deze zaak berichten, maar voor dit moment kan ik alleen maar zeggen: mensen, wees voorzichtig.’
Hij zwijgt even en staat dan op.
‘Wat weet u van de dader?’ roept een journalist.
‘Komen er extra veiligheidsmaatregelen?’ klinkt er vanuit een andere hoek van de zaal.
‘Geen vragen zoals we hadden afgesproken,’ antwoordt inspecteur de Wit. ‘Later zullen we meer bekendmaken.’
Hij sluit de deur van de persruimte, de naar antwoorden hunkerende journalisten achterlatend en vlucht het toilet in. Hij weet dat de nog geen vijf minuten durende persconferentie – als je de vertoning van zojuist zo mag noemen – slechts eenrichtingsverkeer was, maar hij is bang voor reacties die het land zullen ontwrichten. Hij hoopt maar dat de mensen voorzichtig zullen zijn en dat de moordenaar de kinderen, zoals hij tot nu toe heeft gedaan, met rust laat.

 

Aan de andere kant van de stad baant een man zich een weg tussen de eeuwig groengekleurde naaldbomen van het stadsbos. Enkele tandjes van de rits van zijn zwarte regenjack zijn losgesprongen en onthullen een stukje stof van het kledingstuk dat hij eronder draagt. Om zijn nek, over zijn kin en neus, draagt hij een gebreide sjaal. Zijn hoofd is bedekt met een gebreide muts. Alleen zijn ogen trotseren de kou. In zijn rechterhand heeft hij een in geel pakpapier gewikkeld cadeautje vast, zijn linkerhand omhult een loden staaf.

 

‘Inspecteur, de telefoon staat roodgloeiend. Wat moet ik antwoorden?’
De jonge agente kijkt hem radeloos aan.
‘Dat we later met meer informatie komen.’
‘Maar…’
‘We weten nog niets. En dus kunnen we ook niets zeggen.’
‘Oké, maar…’
‘Alsjeblieft,’ zegt inspecteur de Wit nu luid, terwijl hij haar streng aankijkt.
‘Maar gaat het vanmiddag nog wel door?’ De agente praat zo snel dat inspecteur de Wit geen kans krijgt haar nogmaals te interrumperen.
‘Sorry, dat bedoel je. Ja, dat gaat zeker door.’
De radeloosheid verdwijnt van haar gezicht en de agente gaat glimlachend terug naar haar werkplek. Inspecteur de Wit kijkt op de klok, hij heeft nog twee uur de tijd voordat het middag is.
In het mortuarium is het slachtoffer, nu ontdaan van zijn tabbert en zijn nepbaard onherkenbaar voor inspecteur de Wit. Er is niets meer over van de statige persoon met staf en mijter – het enige wat rest is een iele, oude man die alleen qua leeftijd de goedheilig man zou kunnen benaderen.
‘Helaas heb ik nog geen nieuwe info,’ zegt de lijkschouwer. Hij lijkt zenuwachtig te worden van de smekende ogen van inspecteur de Wit.
‘Helemaal niets?’
‘Ik ben bang van niet.’
‘Verdomme. De forensische dienst heeft ook al niets. Ze konden me alleen vertellen dat de dader waarschijnlijk handschoenen droeg en dat zijn schoenen van een merk zijn dat niemand kent.’
‘Misschien heb ik toch wat voor je,’ zegt de lijkschouwer ineens. Hij hangt voorovergebogen over het slachtoffer.
‘Wat dan?’
‘De loden staaf, laten we even aannemen dat de moordenaar het moordwapen zelf benoemd in zijn gedicht, is vanaf onder naar boven gericht tegen zijn achterhoofd gekomen. Dit houdt in dat de dader waarschijnlijk kleiner is dan het slachtoffer. Hetzelfde is het geval bij het eerste slachtoffer.’
Inspecteur de Wit loopt naar de tafel waar een jonge man ligt die eens gehuld in een sinterklaaspak ook een klap tegen zijn achterhoofd heeft gekregen.
‘Kijk maar naar beide wonden.’
Inspecteur de Wit kijkt, maar ziet niet wat hij moet zien. Hij vertrouwt op de expertise van de lijkschouwer. ‘De schoenmaat was niet af te lezen in de sneeuw, maar de gemeten centimeters geven aan dat de dader niet heel grote voeten heeft,’ mompelt hij.
‘Dat is toch in ieder geval iets,’ zegt de lijkschouwer voorzichtig.
Inspecteur de Wit geeft hem een blik die boekdelen spreekt. ‘De dader is kleiner dan deze twee slachtoffers, wat zowat de helft van de bevolking kan zijn en heeft blijkbaar een hekel aan Sinterklaas. Nou, daar kan ik wat mee.’
‘Zwarte piet?’
‘Zeg, schei uit!’
‘Ik bedoel eigenlijk, heb je het al in die hoek gezocht?’
‘We zijn in alle hoeken aan het zoeken (hij hoort de rijm in zijn woorden), maar we hebben geen vermoeden dat het iets met de pietendiscussie te maken heeft. Bovendien, er zijn twee mannen vermoord die als Sinterklaas verkleed waren en niet als zijn knecht.’
‘Ja, weet ik veel,’zegt de lijkschouwer. ‘Misschien is het iemand die een vreselijke jeugd heeft gehad of nooit iets van Sinterklaas heeft gekregen.’
‘Zo lust ik er nog wel een paar. Laten we ons concentreren op de feiten en bel me als je meer weet.’

 

De tijd was sneller gegaan dan hij kon vermoeden. Op de klok staat half één. Even had hij overwogen om een kogelvrijvest onder de tabbert aan te trekken, maar behalve dat een vest hem niet tegen een klap op zijn hoofd met een loden staaf gaat beschermen, weet hij zeker dat het niet zou passen. Het pak dat hij steeds op vijf december aantrekt, lijkt al jaren te krimpen.
‘Inspecteur, bent u zo ver? De kinderen wachten op u.’
Een jonge Piet die vanmorgen nog door het leven ging als de agente die hem had gevraagd of het vanmiddag nog wel doorging, kijkt hem bezorgd aan. ‘Iedereen is gecheckt bij binnenkomst, het zijn allemaal collega’s met hun partners en hun kinderen.’
Het valt Inspecteur de Wit op dat haar witte molensteenkraag  te groot is voor haar smalle hals, de veer op haar baret oogt te klein. ‘Er is nog geen één Sint vermoord in het bijzijn van de kinderen. Allebei de slachtoffers zijn gedood na hun optreden,’ zegt hij, meer tegen zichzelf dan tegen de agente om zichzelf moed in te spreken. ‘Maak die deur nu maar open,’ gebiedt hij vervolgens, terwijl hij zijn mijter iets rechter op zijn hoofd zet, ‘de kinderen wachten.’
Piephoge stemmetjes zingen “Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht”, terwijl pieten pepernoten strooien. Direct klinkt er gegil, maar ook gehuil, bekende geluiden die als vanouds klinken en nu ook weer horen bij het jaarlijkse speciale personeelsfeest. Inspecteur de Wit probeert zich te concentreren op de kindergezichtjes die half huilend en half lachend hem verwelkomen, maar zijn ogen gaan automatisch naar de ouders die moeite hebben hun ongedurige kroost op hun schoot te houden. De meesten van hen kent hij, het zijn collega’s, zelfs de meesten van hun partners kent hij inmiddels van gezicht. Geroutineerd, maar toch een beetje onwennig door de gebeurtenissen van de afgelopen dag zet hij zich neer op de speciale stoel die als een fel gedecoreerde troon tegen de muur aan staat. Met luide, bulderende stem leest hij de eerste naam op uit het grote boek.
Twee uur later heeft hij alle kinderen bij zich gehad en zijn alle pakjes uitgedeeld. De vermoeide snoetjes, besmeurt met chocolade, hangen tegen de papa’s en de mama’s aan. Het spektakel zit erop.De receptioniste zet het laatste liedje in – Dag Sinterklaasje – en alle gasten, klein en groot verlaten de zaal.
‘Sluit u af?’ vraagt de receptioniste als de zaal leeg is. ‘Wij gaan gourmetten met de opa’s en de oma’s.’
Inspecteur de Wit glimlacht. ‘Ja, geen probleem. Veel plezier vanavond.’
De receptioniste zwaait nog een keer en wordt bijna omver gelopen door een agent in uniform die hijgend het bureau komt binnengerend.
‘Inspecteur!’
Op hetzelfde moment komt een moeder – een jonge agente die nog maar net in dienst is – met haar dochtertje het toilet uitgelopen. De agent schrikt bij het zien van het kind en herpakt zich snel. ‘Ik bedoel, Sinterklaas.’
Moeder en dochter verlaten het pand en de agent durft eindelijk te zeggen waarvoor hij kwam. ‘Er is weer een slachtoffer.’
‘Wat?’
‘Ja, hij is een half uur geleden aangevallen. Maar hij leeft nog. Hij ligt in het ziekenhuis, maar hij is er erg slecht aan toe.’
De agent staat ongeduldig te wachten op instructies.
‘Ja, ga maar sinterklaas vieren. Ik ga wel naar het ziekenhuis,’ zegt inspecteur de Wit. Gehaast probeert hij zijn kostuum uit te trekken. In het ziekenhuis ligt een derde slachtoffer, levend maar in kritieke toestand zoals hij begrepen heeft. Misschien kan de man informatie geven over de dader, maar dan moet hij nu wel haast maken. Het koord met de kwastjes dat hij om zijn middel draagt, zodat de stola op zijn plaats blijft, is inmiddels in een ingewikkelde knoop geraakt. Hij heeft geen tijd voor deze onzin nu en grist zijn autosleutels van zijn bureau.
Bij het instappen botst de mijter tegen de bovenkant van het voertuig, zakt af en belemmert voor een seconde zijn zicht. Hij legt het ding op de bijrijdersstoel en wil de auto starten, maar ziet dan dat de voorruit is bevroren. Vloekend stapt hij weer uit met de ijskrabber in zijn hand en begint hijgend en puffend het ijs te verwijderen. De onderkant van zijn tabbert hangt in de sneeuw en zijn broekspijpen worden nat. Kou trekt omhoog langs zijn benen, terwijl de ijskrabber steeds uit zijn handen glipt door de zachte, paarse handschoenen die in ieder geval zijn vingers warm houden. Hij strekt zich verder uit over de voorruit en ziet niet wie er plots achter hem staat. De klap tegen zijn achterhoofd komt dan ook als een verrassing en kermend van de pijn zakt hij ineen. Bloeddruppels spatten uiteen in de sneeuw. Met moeite opent hij zijn gesloten ogen en kijkt op de neuzen van bruine laarzen. Ondanks de stekende pijn, heft hij zijn hoofd een klein beetje op. Voor hem staat een kleine, gezette man. Vanonder zijn gebreide sjaal piept een witte baard en een witte gekrulde snor.
‘Sinterklaas, die goedheilig man. Met zijn landelijke intocht en zijn eigen journaal,’ buldert een stem.
Inspecteur de Wit probeert voorzichtig omhoog te krabbelen, maar zijn hoofd doet te pijn. Hij heeft geen wapen op zak, en al droeg hij er een, hij had er toch niet bij gekund met al die kleden die hij draagt. Versuft probeert hij de dader verder in zich op te nemen. Het duizelt voor zijn ogen. Hij ziet alleen nog maar een zwarte regenjas tegen een wit decor.
‘Alle aandacht gaat altijd naar die goede Sint. En ik? Ik mag als lachertje op de achterkant van een vrachtwagen van een bekend frisdrankenmerk!’
Het geschreeuw van de dader maakt het hoofd van inspecteur de Wit iets helderder en hij doet een poging zich op te trekken aan de auto.
De bruine laarzen komen dichterbij. Inspecteur de Wit grijpt de zwarte regenjas waarvan de rits op de buik een stukje openstaat. Hij geeft er een ruk aan, de jas valt open en een rode fluwelen mantel met brede zwarte riem wordt zichtbaar.
‘Maar het is afgelopen. Er is nog maar plaats voor één feest in december en dat is Kerstmis.’
In de lucht hangt ineens een loden staaf en deze komt met een zucht naar beneden. Inspecteur de Wit vangt de klap op met zijn gezicht dat in slow motion lijkt neer te dalen in de sneeuw. De kou trekt in zijn huid, de sneeuw is niet meer wit, maar rood. Daarna wordt het donker voor zijn ogen.

 

Het kunnen een paar seconden zijn geweest, of een paar minuten. Misschien zelfs wel een paar uur. De hoofdpijn is erger geworden, hij is ook misselijk. De grond onder zijn gezicht voelt nog steeds koud, maar anders koud. En hard. Een zacht krassend geluid komt voorbij zijn oor, gaat helemaal rondom zijn lichaam. Hij wil bewegen, maar hij valt weer weg in een roes van kou en pijn.
Uiteindelijk lukt het hem om een ooglid op te tillen. Voor hem ligt een pakje in fel geel pakpapier met daarop een wit dichtgevouwen papier. Ernaast staan kleine voeten in bruine laarzen gestoken, die omdraaien en natte plekken op het laminaat achterlaten als ze door de deur naar buiten verdwijnen. Inspecteur de Wit luistert naar het kraken van de voetstappen in de sneeuw. Ineens houdt het geluid op en gaat het over in belletjes die steeds verder weg klinken in een zwarte hemel waarin nog slechts twee rode achterlampjes te zien zijn.

Categorie
Schrijfsels & Verhalen