aflevering 1
15755
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15755,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

aflevering 1

Het reuzenrad klom omhoog, traag en schokkend. De gondel waarin ze zaten schommelde en ze voelde een kriebel in haar buik. Was het van de hoogte? Of was het van het gezelschap dat nog net voordat het rad in beweging werd gezet bij haar in de gondel was gesprongen?

‘Allison?’

De gondel was krap en zijn dijbeen kwam tegen het hare. Zijn arm lag in een onhandige hoek en viel bij iedere schok dat de gondel omhoog stootte een stukje dichter tegen haar lichaam aan. Uiteindelijk rustte zijn arm op haar schouder. Ze liet het toe.

‘Allison?’

Ze liet ook zijn hand toe die haar gezicht langzaam naar het zijne draaide. Zijn duim streelde haar kin, zijn lippen kwamen dichterbij. Hij…

‘Allison Hartley!’

Ik schrik op uit mijn boek. In de deuropening staat oma, haar vingers stevig om het dikke, fluweelgroene gordijn geklemd. Het zilvergrijs van haar woeste, korte krullen schittert in het ongezellige licht van de tl-buis die achter het gordijn hangt. Vanachter haar brillenglazen kijkt ze me streng aan.

‘Sorry, nana, ik hoorde je niet.’

‘Je hoorde me niet? Ik heb je al drie keer geroepen. Ik heb je hulp nodig in de winkel.’

Met tegenzin leg ik mijn boek opzij. Nana stoort me net tijdens een super romantische scène waarin de twee hoofdpersonen elkaar eindelijk zullen kussen. Bij gebrek aan een eigen liefdesleven op dit moment, verlies ik me graag in dat van een ander, ook al is die fictief.

‘Het wordt tijd dat je je leven eens serieus gaat nemen, Allison, in plaats van de hele tijd met je neus in die romannetjes te zitten.’

Ik negeer de diepe zucht die oma laat ontsnappen, terwijl ze het gordijn voor me openhoudt en ik de winkel binnen loop. Naast de toonbank staat een tiental grote dozen.

‘Pak jij die vracht even uit, dan maak ik de bestelling voor Mevrouw Sullivan klaar. Ze komt het later deze middag ophalen.’

Ik haal het haarelastiek van mijn pols en bind mijn donkerbruine krullen in een slordige knot voordat ik aan mijn taak begin. In de dozen blijken bollen wol te zitten in saaibeige, oudbolligroze en antiekblauw. Kleuren die helemaal niet bij oma en haar fleurige outfits passen, maar wel perfect zijn voor de klanten die al meer dan dertig jaar hun weg naar Nana’s wolshop weten te vinden. Zelfs nu het hartje zomer is, vliegt de wol over de toonbank. Juist in deze maanden verkopen we veel, omdat de klanten nu nog ruim de tijd hebben om hun dikke trui te breien voordat het winter wordt.

De winkelruit met daarop de door de zon gebleekte oranje plakletters “Nana’s wolshop” geeft een bijna mystiek beeld van de kinderkopjesstraat waaraan de winkel ligt. Een paar maanden geleden konden de vele toeristen die jaarlijks naar ons stadje Hallixston afreizen hier nog snuffelen in de vele antiek- en vintagewinkeltjes, maar tegenwoordig kunnen ze terecht bij de snack-corner of de supermarkt van een grote keten. Gelukkig zit het snoepwinkeltje, dat zo uit een oud prentenboek kon komen er nog wel.

De naam “Nana’s wolshop” is eigenlijk misleidend, want het dekt niet de volledige lading van onze winkel. We verkopen namelijk ook katoen, borduurpakketten en allerlei materiaal zoals breinaalden, knopen, garen en magazines met de meest hippe breipatronen.

Ik leg de bollen op kleur in de houten vakken die nog door mijn opa zijn gemaakt. Even streel ik met mijn vingertoppen over het gladgelakte eikenhout dat naar vroeger ruikt en ik denk terug aan de tijd dat mijn grootouders de winkel nog samen runden. Wat waren ze gelukkig geweest.

De winkel heeft na al die jaren nog steeds zijn originele inrichting behouden met veel donker hout en ouderwetse beige lampenkappen met draadjes waaronder vandaan een warm licht op de toonbank schijnt. In de hoek bij het raam staan een rotan tafeltje met een gewolkt glazen blad en twee rotan kuipstoeltjes. Tegen de muur pronkt nog steeds de trapnaaimachine van nana’s moeder. Een erfstuk dat ik als kind al fantastisch vond.

Oma komt naast me staan en pakt drie knotten zachtgele katoen uit een van de vakken. ‘Weet je nu al wat je na de zomer wilt gaan doen?’

Ik begraaf me dieper in de dozen, raap de vellen met de breipatronen van de bodem en leg ze naast de kassa. Oma heeft me deze vraag al honderd keer gesteld sinds ik mijn studie Engelse Literatuur een paar weken geleden heb afgerond. En al honderd keer heb ik haar hetzelfde antwoord gegeven. Ook deze keer val ik in herhaling; ‘Ik weet het nog niet.’

Maar eigenlijk weet ik het wel. Na de breuk met Brian, die tot voor kort de liefde van mijn leven was, heb ik mijn pad opnieuw moeten uitstippelen: studie afronden (check), een lange verre reis maken (dit onderdeel van mijn plannen op zeer korte termijn verzwijg ik nog even voor nana), dan pas een baan zoeken en als laatste stukje mijn droom verwezenlijken; mijn eigen boekwinkel.

‘Maar je zult toch moeten solliciteren.’ Nana onderbreekt mijn gedachten. ‘Heb je al iets op het oog?’

‘Nog niet. Eerst wil ik zomervakantie vieren, dan zie ik wel verder.’

‘Maar lieverd, als je nu al begint met te bedenken waar je zou willen werken en misschien al een paar sollicitatiebrieven de deur uitdoet, dan heb je misschien aan het eind van de zomer al een baan. Ik hoorde van Mary-Jane dat er waarschijnlijk een functie vrijkomt op de universiteit waar je hebt gestudeerd.’

De winkelbel rinkelt en Mevrouw Richardson komt binnen. Oma ratelt intussen gewoon door. ‘Ik denk dat je deze kans eens goed moet overwegen. Ik zal anders weleens…’

‘Nana, er is een klant.’

Oma heeft de winkelbel niet opgemerkt en verschrikt draait ze zich om. Voordat ze Mevrouw Richardson gaat helpen, geeft ze me nog haar bekende denk-er-toch-maar-eens-goed-over-na blik.

Mijmerend denk ik terug aan de hoofdpersonages van het boek dat ik aan het lezen ben. Ze kwamen elkaar bij toeval tegen tijdens een wereldreis in een land ver van hier. Ze besloten samen verder te trekken en gedurende het verhaal groeide niet alleen hun reiskoorts, maar ook hun liefde voor elkaar.

Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht als ik aan mijn reisplannen denk en aan de nieuwe mensen die ik ga ontmoeten. Hopelijk kom ik dan ook een nieuwe liefde tegen, want hier in Hallixston ga ik die zeker niet vinden. Ik kijk naar nana, die ondanks haar hoge leeftijd de benen uit haar lijf rent voor de klant. Ik weet dat ik haar binnenkort toch echt moet vertellen over mijn lange verblijf in het buitenland. Ik kan het niet lang meer uitstellen, maar wat zie ik er tegenop.

Van mijn droom om een eigen boekwinkel te beginnen is nana wel op de hoogte. Ze weet dat ik soms dromerig de wolshop in gedachten omtover tot mijn paradijsje met boeken en niets anders dan boeken. Al van kleins af aan, toen ik nog geen letter kon lezen, zat ik al in grote mensen boeken te bladeren. Ik ging dan met mijn vinger over de woorden die ik nog niet begreep en knikte af en toe wijselijk. Ik stal zelfs nana’s bril om er slimmer uit te zien.

‘Ally.’

De stem van Mevrouw Richardson haalt me uit mijn gedachten.

‘Ik wil je nog bedanken voor de boekentip die je me gaf. Ik vind het een heerlijk verhaal, zo puur en zo goed geschreven. Ik ga zeker nog meer boeken van deze schrijfster lezen.’

‘Graag gedaan.’

‘Je hebt er kijk op.’

‘Niet voor niets literatuur gestudeerd.’ Ik glimlach er triomfantelijk bij.

‘Nou, dames, nog een heel fijne middag,’ zegt Mevrouw Richardson als ze de winkel verlaat.

De laatste paar uren van de middag vliegen voorbij. De tamtam heeft zijn werk goed gedaan tijdens het koffierondje na de mis van zondag, want alle breifanaten van Hallixston zijn inmiddels langs geweest en hebben de nieuwe patronen met de bijbehorende wol in een welbekend zelfgebreid Nana-tasje mee naar huis genomen. Oma breit er standaard één per dag, wel steeds in een andere kleur, want anders zou het saai worden.

‘Ga jij maar, Allison, ik sluit wel af.’

‘Weet je het zeker, nana, ik kan nog wel even blijven.’

‘Nee, ga maar, anders ben je te laat voor het feestje van Olivia.’

 

 

Buiten pak ik mijn fiets en ik leg mijn roman, waarvoor ik helaas vandaag geen tijd meer heb om er verder in te lezen in mijn rieten mandje. Ik schuif de twee cadeaus voor Olivia die er al in liggen – een alcoholische traktatie in een zwarte, chique verpakking en een boek – een beetje opzij en spring dan op het zadel.

Olivia woont niet ver van de wolshop en dus hoef ik de stevige, maar warme zeewind die vanuit de haven het stadje in waait niet lang te trotseren. Mijn wielen hobbelen over de ongelijke stenen die de straten een speels karakter geven, maar tegelijkertijd mijn botten door elkaar doen schudden. De cadeautjes in mijn fietsmand tuimelen over elkaar en even ben ik bang dat de fles zal breken en ik niets anders dan een zompige, naar alcohol ruikende papiermassa aan mijn jarige vriendin kan aanbieden.

Aan het einde van de straat sla ik rechts af, richting het dorpsplein. Het is er druk met ijsetende en zonnebrandsmerende toeristen die het schilderachtige centrum van Hallixston komen bewonderen en ik moet goed oppassen dat ik niemand aanrijd. Door de open deur van de pub “White Horse” hoor ik luid gebulder van mannen die op dit tijdstip waarschijnlijk al een aantal pullen bier achterover hebben geslagen. Het uithangbord met het witte paard erop slaat heen en weer in de wind en produceert een blikkerig gepiep.

De wind lijkt met me te spelen, probeert me steeds terug te duwen en ik moet dan ook flink trappen. Mijn krullen, die ik had verlost van het haarelastiekje, wapperen naar achteren en hijgend ga ik met mijn tong over mijn lippen. Ik proef zout van het zweet en van de zee. Als ik bij het huis van Olivia aan kom, zie ik Skip al staan.

‘Ally! Party!’

Ik moet lachen om de zangerige stem van Skip die zowaar ook nog een rijmpje produceert. Hij heeft duidelijk zijn best gedaan een feestelijke outfit aan te trekken: een smalle skinny in een niet te definieerbare kleur die nog het meest bij groen in de buurt komt met daarop een rood gevlamd bloesje met korte mouw. Aan zijn voeten draagt hij gympen met op de zijkanten een hart in regenboogkleuren. Zijn donkerbruine haar glimt van de gel.

Skip belt aan, lang en hard. In de tussentijd staat hij wiebelend van ongeduld te wachten totdat Olivia opendoet. Ons andere cadeau, dat hij in blinkend papier met veel glitters en glanzende krullen heeft ingepakt laat hij bijna uit zijn handen vallen.

Het duurt maar een paar seconden en dan vliegt de deur al open. De wind krijgt direct vat op Olivia’s lange gitzwarte steile haren en waait ze alle kanten op. Het maakt haar gezicht nog boller. Met haar kleine ogen kijkt ze ons opgewekt aan.

‘Aahh, daar zijn jullie. Ein-de-lijk!’

‘Het was toch half zes?’ zeg ik droog.

‘Jaha, maar het is nu al drie over half zes. Waar bleven jullie zolang?’ Olivia valt ons in de armen. ‘Ik ben zo blij dat jullie er zijn. Kom gauw verder, ik heb het eten al klaar.’

Hoewel ik een oosterse baklucht had verwacht gezien Olivia’s Aziatische afkomst ruik ik niets als ik het huis binnenga. Pas in de tuin snap ik waarom. Op de ronde tuintafel staan schalen met chocolademuffins, apple crumble gebakjes, scones met jam en clotted cream en grote stukken Malt Loaf cake.

‘Ik dacht dat je een dinertje zou geven?’ vraag ik voorzichtig bij het zien van al die suikerhoudende lekkernijen.

‘Je kent me toch, het liefst maak ik iets zoets. En omdat ik vandaag, rapapapa… vijfentwintig jaar word, dacht ik, ik geef een sweet sugar diner.’

‘Wat een geweldig idee, Ol!’ Skip geeft vlug het cadeau aan Olivia en klapt dan in zijn handen. ‘Gefeliciteerd.’ Vervolgens geeft hij haar een zoen op haar wang.

‘O, spannend, wat zit er in?’ Olivia probeert het geschenk snel open te maken, maar heeft moeite met alle strikken en linten die Skip eromheen heeft gewikkeld. Uiteindelijk lukt het haar het pakje te openen en vol trots houdt ze de roze bakschort voor haar buik. Skip trekt het katoen wat strakker zodat de fotoprint van ons drieën erop duidelijker zichtbaar is. De foto is deze lente gemaakt tijdens een avondje stappen in Brighton. Het was een van mijn laatste avonden op de uni en aan onze gezichten te zien hebben we dat toen flink gevierd. Olivia en Skip kijken recht in de camera, ik kijk naar rechts naar de persoon die ik van de foto heb afgesneden.

‘Hij is enig! Dank jullie wel, lieverds.’

‘En natuurlijk hebben we nog meer cadeaus,’ zeg ik, terwijl ik haar omhels en haar het boek overhandig. Olivia rukt het papier eraf.

‘Het is een roman over een vrouw uit een van de hoogste sociale klassen en een man die werkt als knecht bij een boer.’

Olivia leest vluchtig de achterflap.

‘Dit is een van de beste boeken die ik tijdens mijn studie heb gelezen. Het is onbekend en de schrijfster leeft allang niet meer. Haar werk heeft helaas nooit de waardering gekregen die het verdient.’

Olivia legt het boek met een bedenkelijke frons op haar voorhoofd weg. Ik weet nu al dat ze er vanavond in gaat beginnen, want ze slaat geen leestip van me in de wind.

‘Geef nu het andere cadeau,’ dringt Skip aan.

Met een gespeelde zucht overhandig ik Olivia de zwarte chique cadeauverpakking met inhoud, die zo te voelen heel is gebleven ondanks de hobbelige rit. ‘Ik pak de glazen er alvast bij.’

‘Nou, Ally, je verpest het,’ zegt Skip boos.

‘Net of Olivia niet weet wat er in zit.’ Ik loop naar binnen en haal drie champagneglazen uit de buffetkast, terwijl Olivia de fles van de kurk ontdoet. Het schuim druipt langs de hals van de fles en Skip stapt geschrokken achteruit. ‘Mijn schoenen!’

‘Op je verjaardag, lieve Ol,’ zeg ik lachend, nadat Olivia mijn glas heeft volgeschonken. ‘Dat we nog lang vrienden mogen blijven.’

‘Proost!’ roepen Olivia en Skip in koor.

Daarna storten we ons op de baksels van Olivia die zoals altijd weer hemels smaken, zeker in combinatie met de champagne die tintelt op de zoete smaak op mijn tong.

‘Heb je je oma al verteld van je reisplannen?’

Ik schrik van de vraag die Olivia uit het niets stelt en de jam glijdt van mijn scone. Met mijn wijsvinger schraap ik de klodder van mijn bord en breng hem naar mijn mond. Het geeft me tijd om te antwoorden. Met een diepe zucht zeg ik daarna: ‘Nee, nog niet.’
‘Maar je vertrekt binnenkort. Je hebt je reisschema al samengesteld en je spullen al in huis. Je moet het haar vertellen.’

‘Ik weet het Ol, maar ik wacht nog even het juiste moment af.’

‘Dat doe je al maanden.’ Skip kijkt me gespeeld streng aan.

‘Nana is al op leeftijd en de winkel…’

‘Ally, denk aan je eigen geluk. Wij letten wel op je oma.’

‘Ik wil haar geen verdriet doen. Ze is de allerliefste van de wereld. Wat zij voor mij gedaan heeft, is…’

Ik leg mijn scone neer, de jam druipt er weer vanaf en laat een plakkerig spoor achter op mijn bord. Deze keer strijk ik het niet op met mijn vinger. In plaats daarvan wil ik een slok van mijn champagne nemen, maar mijn glas is leeg. Ik schenk bij en wil de anderen ook bijschenken, maar zie dan dat hun glazen nog halfvol zijn. Ik neem een grote teug. ‘Heb ik jullie die ene foto van mijn ouders weleens laten zien?’ Ik pak mijn portemonnee uit mijn tas en haal er de foto uit die ik al meer dan twintig jaar bij me draag. De kwaliteit is niet meer zo goed, de kleuren zijn vervaagd en de hoekjes zijn omgekruld, maar het interesseert me niets. Het is de enige foto waar we met z’n drieën op staan. Het is het meest kostbare bezit dat ik heb.

‘Laat nog eens zien,’ zegt Olivia. Ze neemt de foto uit mijn handen en kijkt er naar. Ze kijkt er echt naar, zoals ze er al tientallen keren naar heeft gekeken.

‘Ik kan nana toch niet in de steek laten,’ zeg ik terwijl Olivia de foto aan me teruggeeft. ‘Ze heeft me als baby in huis genomen nadat mijn ouders zijn overleden. Ze heeft me opgevoed. Dankzij haar heb ik kunnen studeren. Ik ben haar zo veel verschuldigd. Ze wil dat ik een baan zoek en…’

‘Een baan is ook een goed idee.’

Ik hoor de belerende toon in Skips stem, maar negeer hem. ‘Wat was ze mooi, hè, mijn moeder. Denk je dat ik op een dag ook moeder zal worden?’ Ik neem nog een slok champagne en schenk nog eens bij. ‘Of een nana?’
‘Ally…’

‘Ik wil zo graag de man van mijn leven vinden. Mijn ouders waren intens verliefd op elkaar, tenminste als ik nana moet geloven. En zij en opa konden geen seconde zonder elkaar. Ik wil dat ook. Ik wil een gezin stichten, ik wil…’ Het lukt me niet mijn tranen nog langer in te houden. ‘O, sorry, Ol, ik verpest je feestje.’

‘Het is oké, Ally, ik weet hoe graag je het wil,’ zegt Olivia zacht. ‘Heb je niets meer gehoord van…’

‘Nee,’ zeg ik snel. ‘En hij bleek zeker niet de man van mijn dromen te zijn.’

‘Olivia!’ zegt Skip geschokt, ‘je weet toch dat we niet meer over je-weet-wel-wie praten.’

‘Sorry.’

‘Dat is nog een reden waarom ik hier zo snel mogelijk weg wil. Op een dag kom ik hem weer tegen en dat kan ik nog niet aan.’

‘En daarom moet je die reis gaan maken. Ergens daar,’ Olivia wijst naar het raam, ‘is er man voor jou een man die onvoorwaardelijk van je houdt.’

Ik knik. ‘Ach, kijk mij nou zielig doen. Jij moet je verjaardag vieren zonder jouw geliefde.’

‘Thom is deze week weer thuis. Hij vaart al voor de kust van Zuid-Europa.’

Olivia had Thom twee jaar geleden ontmoet tijdens de havenfeesten, een evenement dat al jaar en dag in Hallixston op twintig juli wordt gevierd. Zeevaartlui uit alle hoeken van de wereld meren met hun schepen aan in de haven en de bewoners trakteren hen op festiviteiten. Er is muziek van de plaatselijke brassband, de leerlingen van de balletschool vertonen hun uitvoering op het podium op het plein en er zijn allerlei kraampjes met lekkernijen en verkoopwaar. Nana en ik staan er ook elk jaar weer met onze kraam.

‘En bovendien hebben we vanmiddag bijna twee uur geskypet.’

‘Dat lijkt me toch niet hetzelfde,’ zeg ik zacht.

‘Dat kan heel spannend zijn, hoor.’ Olivia knipoogt en er verschijnt een ondeugende lach op haar gezicht. We proesten het uit.

‘Wijn!’ roept Skip. Hij houdt de champagnefles boven zijn glas, maar er komt geen druppel meer uit. ‘We moeten aan de wijn.’

 

 

Met een ruk schiet ik omhoog, maar de hoofdpijn die tegen mijn hersenpan beukt, laat me direct weer terug op het matras vallen. Buiten klinkt een oorverdovend lawaai. Het snijdende, snerpende geluid blijft maar doorgaan en vlug trek ik het dekbed over me heen. De muur van het te warme ganzendons helpt niet tegen de herrie die onophoudelijk mijn oren binnendringt en de hoofdpijn een extra zetje geeft.

Met een diepe zucht stap ik uit bed en strompel de trap af. Wanneer ik woest de gordijnen open, word ik bijna verblind door een fel zonlicht dat schittert op de kalme zee. Intussen dendert het kabaal voort. Het geluid komt van het strand. Ik schuif de glazen pui van mijn strandhuis open, daal het trapje van de veranda af en zet mijn voeten in het warme zand.

De schrille tonen klinken nog luider nu ik buiten sta en komen van het strandhuis naast me. Op de veranda van de woning die al maanden leeg staat, vliegen vonken in het rond. Een man in een zwartrood geblokte houthakkersblouse staat een houten plank te zagen. Nijdig loop ik op hem af, of liever gezegd, waggel ik op hem af, want ik heb de grootste moeite in een rechte lijn te lopen. De combinatie van te veel glazen champagne en nog meer glazen wijn komen terug in mijn herinnering. Evenals de valpartij van mijn fiets niet ver van mijn huis. In gedachten hoor ik weer de zangerige lach van Skip die me omhoog had getakeld. Daarna kan ik me niets meer herinneren. Geen idee hoe ik mijn bed in ben gekomen.

‘Hé,’ roep ik.

De man met de elektrische zaag gaat stug door. Hij hoort me niet. Nu pas zie ik dat zijn mouwen zijn opgestroopt en dat zongebruinde armen kracht zetten. Spieren bollen op.

‘Hé,’ roep ik nogmaals als ik zijn veranda op storm.

Nu ziet hij me wel en hij stopt abrupt met zagen. Terwijl hij zijn oorbeschermers afneemt, kijkt hij me verbaasd aan. Er verschijnt een brede lach op zijn gezicht met stoppelbaard dat ik direct aantrekkelijk had gevonden als ik me niet zo opgefokt had gevoeld.

‘Hou op! Hou onmiddellijk op met die herrie.’

De man wil iets zeggen, maar ik geef hem geen kans. ‘Vind je het normaal om op de vroege ochtend zoveel kabaal te maken?’

‘Vroeg?’

‘Het is zondag. Rustdag. Rustigdag.’ Mijn woorden klinken schor, mijn stem is ook nog niet wakker. Nog niet nuchter.

‘Zo vroeg is het niet meer, hoor.’ De man kijkt me nu amusant aan. Niet alleen zijn armen zijn zongebruind, ook zijn gezicht heeft een mooie teint. Helderblauwe ogen staren me aan.

‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt het over vroeg, maar het is al middag.’

‘Middag? Hoe laat is het dan?’

De rustverstoorder negeert mijn vraag.  Zijn blauwe ogen kijken me nog steeds spottend aan. ‘En volgens mij mag ik overdag aan mijn huis klussen.’

‘Jouw huis?’

‘Yep, sinds gisteren.’

Zijn lach verandert spontaan van spottend naar triomfantelijk. Het valt me nu pas op dat er kuiltjes in zijn wangen liggen.

‘Ja, sorry, pyjama-girl, maar eh… mag ik nu weer verder met mijn werk?’

Verschrikt kijk ik naar mezelf. Ik zie nu pas wat ik aan heb: het is het verjaardagscadeau dat ik van Skip en Olivia heb gekregen, jaren geleden toen we nog geen dure flessen champagne weggaven. De pyjama met beertjes is zeker twee maten te klein. De broekspijpen komen tot halverwege mijn scheenbenen en het jasje dat scheef geknoopt is, zit slordig in mijn broek gestoken. Vlug probeer ik me enigszins te fatsoeneren. Waarom draag ik dit in godsnaam? Ik wist niet eens dat ik deze nog had. En dan herinner ik het me weer. Skip! Hij had me in bed gelegd. Hij had me deze belachelijke pyjama aangetrokken, terwijl ik half van de wereld was. Met het schaamrood op mijn kaken draai ik me om en ren terug naar huis. Achter me begint opnieuw het gekrijs van de elektrische houtzaag.

 

Het is inmiddels tien voor half twee en hijgend spring ik van mijn fiets. Ik had afgesproken met nana om om één uur te gaan lunchen bij het Jachtkwartier en ik ben te laat. Nana houdt er niet van als iemand te laat is. Ze zegt dat die persoon de afspraak dan niet serieus neemt. Ik zucht bij het betreden van het terras, nana vindt sowieso dat ik niet serieus ben.

‘Ah, Allison, eindelijk, daar ben je. Ik maakte me al zorgen.’

Ik geef nana een zoen op haar wang en hoop maar dat de tandpasta die ik dubbeldik op mijn tandenborstel heb gedaan zijn werk doet. Gelukkig schijnt de zon volop en kan ik mijn zonnebril zonder verdere uitleg en met een gerust hart ophouden. Op tafel staan twee etagères met sandwiches en caramel shortbread. Een zoete smaak verdringt de frisse in mijn mond en ik word licht misselijk.

‘Hoe was het feestje bij Olivia gisteren?’

‘Heel leuk.’

‘Was Skip er ook?’

‘Yep, in al zijn aanwezigheid.’

Nana begint te lachen. ‘Fijn dat jullie Olivia zo hebben opgevrolijkt. Het moet toch moeilijk voor haar zijn, zo vaak zonder Thom. Vanaf het moment dat je opa en ik verkering kregen, hebben we elkaar geen dag alleen gelaten. Als ik met vriendinnen wegging, zorgde ik er altijd voor dat ik ’s avonds op tijd thuis was zodat we samen konden eten.’

Ik schenk een kop thee in en drink met grote slokken. Het hete water brandt op mijn tong en in mijn keel, maar het kan me niet schelen, ik stik van de dorst. Vlug schenk ik een nieuwe kop in.

‘En als we ruzie hadden, maakten we het altijd weer goed. Een relatie kost moeite, je moet er je best voor doen.’

Ik weet waar nana op doelt. Ze mocht Brian heel graag, maar geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om weer terug naar hem te gaan, niet na wat hij heeft gedaan. Het voelde heerlijk toen ik zijn hoofd van de foto sneed. Nana gelooft in vergeven, ik geloof in vergeten. Ik wil niet meer aan hem denken. Ik wil een man die wel honderd procent voor mij gaat en zich niet verliest in drank en een blonde Zweedse toeriste.

‘Weet je wie er in de kerk zat vanochtend?’

‘Nee.’

‘Mary-Jane. Ik had je toch gezegd dat de universiteit van Brighton misschien nieuwe docenten zoekt. Nou, Mary-Jane heeft me verteld dat dat zeker zo is. Mevrouw Johnson gaat weg. Ken je haar?’

‘Ja, ik heb weleens les van haar gehad. Aardig mens.’

‘De vacature wordt volgende week pas uitgezet, maar jij kunt je sollicitatiebrief nu al sturen. Mary-Jane heeft al een goed woordje voor je bij de directie gedaan. Geweldig toch? En aangezien je daar gestudeerd hebt, neem ik aan dat je zeker op gesprek mag komen.’

‘Nana…’

‘Wilt u nog thee?’ De serveerster staat al met de theepot in haar hand en voelt of er nog wat in zit.

‘Graag,’ antwoord oma. Ze wacht even totdat de serveerster van het terras is verdwenen en richt zich dan weer tot mij. ‘Morgen hoef je pas om twaalf uur te beginnen.’

‘O, waarom?’

‘Ik heb eerst een afspraak.’

‘Maar moet ik dan niet de winkel runnen als jij die afspraak hebt?’

‘Nee, hoor, dat hoeft. De afspraak is in de winkel, dus dat gaat me wel lukken. Kun jij misschien nog wat uitrusten. Dan zijn die wallen morgenmiddag wel weggetrokken.’

Ik duw mijn zonnebril iets hoger op mijn neus. Nana houd je niet voor de gek, die kijkt overal dwars doorheen.

‘Dank je,’ zeg ik.

‘Nou, eet wat, het staat er niet voor niets.’

 

De lunch met nana had langer geduurd dan ik had verwacht. Het is inmiddels half vijf en de zon staat nog steeds aan de hemel te branden. Ik schiet gauw in een kort rokje en topje en schenk een grote kan water in, want de nadorst is nog steeds niet weg, ondanks de liters thee die ik vanmiddag heb gedronken.

Ik pak mijn boek en plof op de schommelstoel op de veranda. Eindelijk heb ik tijd om verder te lezen. In het strandhuis naast me zie ik geen beweging. Ik hoor ook geen zaag meer.

Verderop op het strand, vlak bij de zee spelen kinderen en liggen ouders op hun handdoek in het zand te praten, maar die geluiden zijn ver weg. Ze verstoren me niet in het verhaal van de wereldreizigers die vol passie in elkaar opgaan in het reuzenrad ergens ver hier vandaan.

Ze liet ook zijn hand toe die haar gezicht langzaam naar de zijne draaide. Zijn duim streelde haar kin, zijn lippen kwamen dichterbij. Hij zoende haar met een hartstocht die groeide bij iedere meter dat ze hoger de lucht in gingen. Ze…

‘Hé, pyjama-girl.’

Ik kijk verschrikt op van mijn boek. Beneden, op het strand staat mijn nieuwe buurman. In zijn handen heeft hij een paar gehoorbeschermers.

‘Ik wilde je nog mijn excuses aanbieden. Blijkbaar heb ik je wakker gemaakt, ondanks dat het al middag was.’

Ik staar hem alleen maar aan. Het lijkt wel alsof ik mijn tong heb verloren. Omdat het hem blijkbaar te lang duurt voordat ik antwoord geef, loopt hij langzaam de trap naar de veranda op. ‘Hier, dat helpt tegen het geluid.’

Ik neem de gehoorbeschermers aan. ‘Bedankt… eh.’

‘Cooper.’

‘Bedankt, Cooper.’ Ik glimlach flauwtjes.

‘Nou, dan laat ik je nu maar alleen met je boek.’ Hij buigt zijn hoofd een beetje en zijn ogen zoeken de titel. ‘“Hoge liefde”’. Is het een goed boek?’

‘Niets voor jou,’ zeg ik.

‘Oké.’

Ik wacht totdat hij mijn veranda afloopt, maar hij blijft staan.

‘Ik weet nog steeds niet hoe jij heet.’

‘O, mijn naam is Ally.’

‘Nou, Ally, geniet van je boek dat niets voor mij is.’ Hij geeft me een knipoog en loopt het trapje af.

Ik kijk hem na totdat hij zijn eigen veranda opklimt. Zodra de ellendige schelle zaagtonen weer over het strand mijn kant op komen waaien, pak ik geïrriteerd de oorbeschermers. Met het enorme ding op mijn hoofd verdiep ik me weer in mijn verhaal, althans dat probeer ik. Maar het zijn niet de gedempte geluiden die me afleiden. Het is de gedachte aan de stem van mijn nieuwe buurman en de manier waarop hij naar me had geglimlacht, die mijn aandacht niet meer bij de romance in het reuzenrad kunnen houden.

 

********************************************************************

Categorie
Series