Stil
15562
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15562,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

Stil

Het verhaal ‘Stil’ heeft op 14 januari 2020 een plek veroverd op de longlist van de schrijfwedstrijd ‘De blokkade’ van Schrijven Online 

 

De handdoek waarmee ik over mijn bezwete armen veeg, voelt stug aan en schuurt over mijn huid. Als ik hem over mijn gezicht haal, dringt een muffe klamme lucht mijn neus binnen. Ik gooi hem in de hoek en werp mijn T-shirt erachteraan. Het kledingstuk met het rode kruis op het witte achterpand ligt er verfrommeld bij. Ik pak een schoon shirt en voordat ik het aantrek, wrijf ik met mijn vingers over het embleem van de hulporganisatie waarvoor ik nu vier maanden werkzaam ben.
Achter in het ziekenzaaltje hoor ik het gekrijs van de zes maanden oude baby die vannacht is binnengebracht. Een jongetje dat sinds een paar uur wees is geworden omdat zijn ouders bij een bombardement het leven lieten. Ik loop naar Benjamin, zoals we hem noemen, en zie dat de wonden aan zijn beentjes verzorging nodig hebben. Bloedvlekken hebben het witte verband inmiddels rood gekleurd, een tint die overeenkomt met de kleur van zijn met pijn vertrokken gezichtje. Ik pak zijn handje vast, fluister geruststellende woordjes in het Engels, wetende dat hij me niet verstaat, en kan alleen maar hopen dat hij wel de klanken hoort, aangezien de explosie zijn gehoor waarschijnlijk ernstig heeft beschadigd. Ik fluister hem toe dat er vandaag nieuwe hulpgoederen zullen worden geleverd en ik spoedig het doorweekte verband zal verwisselen. Het liefst had ik hem nog wat antibiotica gegeven, maar vannacht heb ik de laatste ampul gebruikt, de voorraadkast is leeg. In plaats daarvan leg ik een vochtig doekje op zijn voorhoofd in een poging wat verlichting te geven.
In de zaal ligt een twintigtal kinderen in slechts twaalf bedjes. Niemand van de andere patiëntjes huilt, een enkeling hoest een keer. Alleen Benjamin gilt het uit, het gaat me door merg en been.
‘No, no,’ roept een jammerende vrouw in de ruimte naast de ziekenzaal.
Ik herken de stem onmiddellijk en ren naar de gang waar ik mijn collega Aysha op haar knieën op de grond vind. Haar hoofd is verscholen in haar hoofddoek, in haar handen houdt ze een telefoon.
‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik haar in het Engels.
Ze kijkt me aan met een blik die ik eerder in haar ogen heb gezien. Ik begin met mijn hoofd te schudden, roep dezelfde woorden die Aysha een minuut eerder door de gang riep. ‘No, no. Dit kan niet waar zijn,’ roep ik.
‘Ik ben bang van wel,’ antwoordt Aysha. ‘Er is weer een blokkade ingesteld. De havenstad kan niet worden bereikt. Het schip met voedsel en medicijnen ligt stil op zee.’
Totaal ontredderd laat ik me naast Aysha op de grond zakken. Ik kan alleen maar hopen dat door middel van internationale druk de blokkade snel wordt opgeheven.
Na drie diepe zuchten sta ik op, veeg mijn tenue glad en ga onvermoeid door met het werk waarvoor ik hier gekomen ben. Pas als ik de ziekenzaal weer binnenloop, besef ik dat Benjamin niet meer huilt.

Categorie
Schrijfsels & Verhalen