Aflevering 2
15759
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15759,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

Aflevering 2

Gisteren had ik mijn boek maar weggelegd en uren voor de televisie gezeten zonder uiteindelijk ook maar iets te volgen. Nu, op maandagochtend om half twaalf is het me dan toch gelukt de roman uit te lezen. Ik heb nog nooit zo lang over de laatste paar hoofstukken van een boek gedaan.

Ik kijk naar links, naar het huis van mijn buurman, maar er is niets te zien. De veranda is opgeruimd, er staan geen houten planken meer, zelfs de zaag is weg.

Ik besluit alvast naar de winkel te fietsen. Nana’s afspraak zal waarschijnlijk wel klaar zijn en dan kan ik haar alvast helpen. Voordat ik vertrek kijk ik nog even naar het strandhuis naast me. Daarna stap ik hoofdschuddend op de fiets. Ally, doe even normaal. Je kent die kerel helemaal niet. Hij is brutaal en irritant. Wees blij dat hij er niet is.

 

In de winkel stuit ik op nana in gesprek met een forse man met dik zilvergrijs haar. De stem van de kerel buldert me al tegemoet, terwijl ik nog met de deurklink in mijn hand sta.

‘Allison,’ zegt nana. Ze kijkt verschrikt op als ze me ziet. ‘Ik had toch gezegd dat je pas om twaalf uur moest beginnen.’

‘Sorry, ik dacht…’

‘Ga maar naar achteren. Daar ligt wel wat werk.’

Oma stelt me niet voor aan de man die nu ongeduldig lijkt te worden. Vlug schiet ik langs hem heen naar de opslagkamer en sluit het dikke gordijn. Het voorkomt niet dat ik niets meer van hun gesprek kan horen, maar het dempt wel hun stemmen. Ik kan niet precies verstaan wat er wordt gezegd, maar dat het geen prettig gesprek is, is me wel duidelijk. Het lukt de man niet zich in te houden en sommige woorden rollen hard over zijn tong. ‘…over nadenken… verkeerde beslissing.’

Nu begint nana ook haar stem te verheffen. ‘Mijn winkel uit!’

Ik schuif het gordijn opzij en ik zie haar met gestrekte arm naar de deur wijzen. Haar gezicht staat op onweer.

‘En waag het niet je hier nog een keer te laten zien.’

De man stormt de winkel uit en net voordat hij een voet op straat zet, schreeuwt hij nog een keer naar nana. ‘Wij zijn nog niet uitgepraat.’

Nana gooit de winkeldeur met een klap dicht. De bel rinkelt luid. Er gaat een siddering over mijn rug.

‘Nana,’ zeg ik voorzichtig als ik uit de opslagkamer kom. ‘Wie was dat?’

‘Niemand.’

‘Maar waar ging dat over?’

‘Nergens over.’

Het is duidelijk dat ze er niet over wil praten. Ze klinkt chagrijnig, iets dat ze nooit is. Nana staat bekend als het goedgehumeurde wolvrouwtje dat altijd gekleed gaat in haar eigen gebreide truien in vrolijke kleuren. Ook vandaag draagt ze een fleurige katoenen creatie, alleen lijken de kleuren ineens flets bij haar rood aangelopen gezicht.

‘Kan ik iets voor je doen?’

‘Nee, lieverd, het is goed zo. We zullen geen last meer hebben van die man.’

 

De hele middag is nana zwijgzaam. Als er een klant de winkel binnenkomt, tovert ze een lach op haar gezicht, maar als we alleen zijn lijkt ze diep verzonken in gedachten die ze niet met me wil delen.

Om vijf uur maken we de kassa op. Nana gaat naar boven waar ze al meer dan dertig jaar woont. Ik loop nog even met haar mee. Ik heb het gevoel dat, ondanks dat ze er niet over wil praten, ik haar misschien maar beter niet alleen kan laten.

De woning boven de winkel bestaat uit een grote woonkamer met open keuken, drie slaapkamers en een ruime badkamer. Nana ploft in de bank en doet haar schoenen uit. Als ze zuchtend haar voeten op een voetenbankje legt, valt het me ineens op hoe oud ze er eigenlijk uitziet.

‘Zal ik wat te eten voor je maken?’

‘Ik heb nog wat in de koelkast staan. Dat warm ik zo wel op.’

‘Ik kan het wel voor je doen.’

‘Dat hoeft niet. Ik wil eerst even rusten. Laat me maar, Allison. Het was een drukke dag.’

Met een rotgevoel sluit ik de winkel af. Daarna stuur ik een berichtje naar Olivia en Skip:  “Eten bij ’t Schippertje?”

Binnen twee seconden krijg ik bericht terug, van allebei. En allebei zijn ze akkoord.

 

Bij ’t Schippertje is het druk. Het hele terras zit vol, net als de andere terrassen bij de haven. Het is een populaire plek bij de lokale bevolking, maar ook toeristen zijn dol op de vistentjes van Hallixston. Terwijl ze genieten van hun fish en chips maken ze kiekjes met hun telefoons van de schattige bootjes en luxe jachten die hier in grote getale aangemeerd liggen. Ik struin langs de horecagelegenheden die met hun kleurrijke parasols en overvolle bloembakken met magnolia’s en hibiscus een zomerse gezelligheid uitstralen waar ik ieder jaar weer van geniet.

‘Ally, we zitten hier.’

Aan een tafeltje bij de kade zit Skip al overdreven met zijn armen in de lucht te zwaaien. Op zijn neus staat een pilotenzonnebril die te groot is voor zijn lange, smalle gezicht.

‘Fijn dat we konden afspreken. Ik heb toch zoiets raars meegemaakt,’ zeg ik als ik ga zitten. Ik vertel hen over de man in de winkel en welk effect hij heeft op nana. ‘Ik maak me zorgen om haar.’

‘Zou het een lover zijn?’

Ik kijk Skip verbaasd aan. ‘Wat?’

‘Oja, zou je oma een vriend hebben?’ kirt Olivia.

‘Nana op vrijersvoeten?’ Ik begin te lachen. ‘Dat denk ik niet, hoor. Opa was de liefde van haar leven.’

‘Je opa is zeven jaar geleden overleden.’ Skip zet zijn belachelijk grote bril af en zwaait ermee door de lucht. ‘Ik geef je oma groot gelijk.’

‘Nou, als het al een lover was, dan is de liefde nu over, want ze stonden toch een partij tegen elkaar te schreeuwen.’

Pyjama-girl!’

Ik verstijf. Met een ruk draai ik mijn hoofd om naar de straatkant. Daar, voor het terras staat Cooper. Zijn donkere haar schittert in het zonlicht. Zijn felblauwe ogen zijn gefixeerd op de mijne.

‘Wie is dat?’ hoor ik Olivia zeggen. Haar stem gaat in een vreemde zangerige toon omhoog op de verkeerde klemtoon.

‘Mijn nieuwe, irritante buurman.’

‘Looking good!’

‘Skip, hou op.’

‘Heb je je boek nog uit kunnen lezen?’ Cooper staat inmiddels voor ons tafeltje. Hij kijkt even vluchtig naar mijn vrienden, die met open mond en bijna kwijlend luidruchtig naast me zitten te ademen.

‘Dit is Olivia en dit is Skip,’ zeg ik zo zakelijk mogelijk.

‘Hoi, ik ben Cooper. Ik woon in het huis naast haar.’ Hij geeft me een hoofdknikje.

Ik zie dat Skip iets wil zeggen en vlug snoer ik hem de mond. ‘Ons eten wordt zo geserveerd.’ Dat we onze bestelling nog moeten opgeven – of sterker nog, dat we zelfs nog geen drankje hebben besteld – laat ik achterwege.

Cooper lijkt te dralen en zijn ogen schieten langs de tafels. Even ben ik bang dat hij bij ons komt zitten, maar tot mijn opluchting zie ik dat er geen enkele lege stoel meer is.

‘Smakelijk,’ zeg Cooper dan ineens. Met een glimlach op zijn gezicht draait hij zich om en loopt het terras af.

Ik laat een diepe zucht ontsnappen en zak onderuit in mijn stoel.

‘Wat bedoelde hij met pyjama-girl?’ vraagt Olivia.

‘Dat moet je maar aan Skip vragen,’ zeg ik boos, terwijl ik opsta om naar het toilet te gaan.

Voor de spiegel check ik mijn tanden. Hoewel we nog geen hap hebben gegeten, wil ik weten of er niets tussen zit. Waarom word ik toch steeds zo zenuwachtig als Cooper opduikt? Waarom verdrink ik toch steeds in zijn blauwe ogen en word ik bijna gehypnotiseerd door zijn stem? Ik word er gek van. Ik kan me beter druk maken over hoe ik nana ga vertellen over mijn reis. En vooral nu, na het akelige gesprek dat ze had met die vervelende kerel. Ik besluit haar een berichtje te sturen om te vragen hoe het met haar gaat. Daarna ga ik terug naar het terras.

 

Het is geen latertje geworden. Het is half negen ’s avonds en ik zit op mijn veranda met een nieuw boek in mijn handen. Deze staat al heel lang op mijn lijstje en ik wil hem gelezen hebben voordat ik op reis ga. Ik hou van papieren boeken. Ik wil de kaft voelen, de bladzijden omslaan, de inkt ruiken. Een paar weken geleden heb ik een e-reader gekocht, simpelweg omdat ik niet zoveel papieren boeken mee kan nemen in mijn reistas. Het apparaat zit nog in de doos.

Zonder nog maar een letter te hebben gelezen leg ik het boek alweer weg en check mijn mobiel. Er is een berichtje van nana binnengekomen: “Gaat goed. Tot morgen.” Het berichtje is kort en zakelijk, iets wat ik niet van haar gewend ben. Het maakt mijn ongerustheid alleen maar groter.

Ik ga naar binnen en neem mijn boek mee. Ineens ben ik doodop en ik heb zin om in bed te gaan lezen. Voordat ik naar boven ga, zet ik nog snel een pannetje melk op het vuur. Een gewoonte die ik van nana heb overgenomen. Even moet ik glimlachen, ik lijk zelf wel een oude oma. Misschien moet ik die beertjespyjama vannacht dan maar weer aantrekken.

Ik denk terug aan Cooper en hoe ik me had geschaamd voor mijn te kleine en kinderachtige nachtkleding. Hij had er spottend naar gekeken en erom gelachen. Die lach… en opeens voel ik een kriebel in mijn buik.

Ik schud mijn hoofd. Cooper had me belachelijk gemaakt. En vanavond had hij ineens voor het terras bij ’t  Schippertje gestaan. Hij had me pyjama-girl genoemd in het bijzijn van mijn vrienden, terwijl ik hem had verteld dat ik Ally heet. Wist hij mijn naam niet meer of heeft hij me expres voor schut gezet? Een ergernis verdringt langzaam de kriebel. Woest grijp ik naar de steel van het pannetje, maar ik pak mis en stoot er tegenaan. Het pannetje kukelt van het fornuis. Hete melk valt over mijn rechterhand. Ik schreeuw het uit van de pijn. Vlug draai ik de kraan open en houd mijn hand onder het stromende koude water.

‘Gaat het?’

Met een ruk draai ik me om. In de deuropening staat Cooper.

Ik zet de kraan uit en pak een handdoek, maar kerm het dan uit.

‘Heb je je verbrand?’

Ik knik, er staan tranen in mijn ogen.

‘Je moet je hand nog veel langer onder de kraan houden. Minstens twintig minuten.’

Ik kijk hem schaapachtig aan.

‘Hier.’ Cooper draait de kraan open. Ik wil mijn hand eronder steken, maar hij houdt me tegen. ‘Dat water is nog veel te koud.’ Hij draait nog wat aan de kraan en pakt dan mijn pols vast. ‘Voorzichtig.’

Het lauwwarme water stroomt kalmpjes over mijn hand en over mijn vingers.

‘Zo stom,’ zeg ik zacht. ‘Ik wilde melk koken en toen viel het pannetje om.’

‘Ik zie het. Hou jij je hand maar onder de kraan, dan ruim ik dit wel even op.’

‘Nee, dat hoef niet. Ik red me wel.’

Cooper luistert niet. Hij begint met een doekje het gasfornuis af te doen.

‘Schreeuwde ik zo hard?’ vraag ik.

‘Ik liep net voorbij en toen hoorde ik je.’

‘O.’

‘Of nou ja, eigenlijk stond ik al op je veranda.’

‘Hoezo?’

‘Ik heb het idee dat ik je overviel, vanavond op het terras. Dat was niet mijn bedoeling.’

Ik haal mijn hand onder de kraan vandaan. Hij doet al minder pijn.

‘Je moet echt nog even volhouden, hoor, anders krijg je blaren.’ Cooper duwt mijn hand zachtjes terug onder de kraan. ‘Heb je ergens huishoudfolie liggen?’ Hij trekt een kastje open, daarna een lade. Die gozer is echt zo brutaal als de neten.

‘In die kast,’ wijs ik met een hoofdknikje.

Na wat een eeuwigheid lijkt te duren draait Cooper de kraan uit en dept mijn hand zachtjes droog met een handdoek. Daarna dekt hij de brandwond af met een stukje huishoudfolie. ‘Heb ik ooit eens geleerd tijdens een EHBO-cursus.’

‘Dank je,’ zeg ik zachtjes. ‘Wil je wat drinken?’ Ik heb direct spijt van mijn vraag, maar ik kan hem nu toch niet zomaar wegsturen?

‘Lekker. Zal ik het zelf even pakken?’ Hij opent weer een kastje en haalt er twee glazen uit. ‘Waar verstop je de drank? Of zal ik een nieuw pannetje melk voor je koken?’

‘Nee, ik kan wel wat sterkers gebruiken.’ Met mijn linkerhand open ik de koelkast en haal er een fles wijn uit.

‘Hier, laat mij maar even.’ Cooper schenkt twee glazen in en loopt dan richting mijn boekenkast.

‘Wauw, hoeveel zijn het er?’

‘Geen idee. Ik heb ze nooit geteld.’

Cooper pakt een paar boeken uit de kast, bestudeert de titels aandachtig en propt ze dan weer terug op de overvolle planken.

‘Heb je ze allemaal gelezen?’

‘Nee, joh, ongeveer de helft.’

‘De helft. Indrukwekkend.’

Cooper gaat op de bank zitten en maakt het zich gemakkelijk. ‘Waar is dat boek waarin je bezig was? Wat was het ook alweer? Iets met hoog.’

‘Hoge liefde. Dat heb ik uit.’

Ik sta nog steeds bij het aanrecht. Ik durf niet op de bank te gaan zitten.

‘En nu wilde je in deze gaan beginnen; “Alles voor de liefde”’. Cooper leest de titel hardop voor. Ik merk dat hij een lach onderdrukt.

‘Ja,’ zeg ik, terwijl ik naar hem toeloop en het boek uit zijn handen wil grissen. De toon waarop hij de titel noemde zint me niets. Hij maakt me weer belachelijk.

‘Eh, eh, laat mij eens kijken waar het over gaat.’ Coopers ogen snellen over de achterflap van het boek. Op zijn gezicht verschijnt een glimlach. ‘Veel belovend.’

Ik graai opnieuw naar het boek en deze keer heb ik het te pakken, maar als ik mijn andere hand erbij haal om het zeker niet te laten vallen, voel ik steken. Met een schreeuw laat ik het boek los.

‘Voorzichtig,’ zegt Cooper. ‘Wacht, ik weet iets. Ga zitten.’

Ik kijk hem wantrouwend aan. Wat is hij van plan?

‘Ga zitten,’ zegt hij nogmaals. Hij staat op van de bank en raapt het boek op. ‘

‘“Hoofdstuk één. De azuurblauwe lucht leek…”’

‘Wat doe je?’

‘Sstt… de azuurblauwe lucht leek wel een schilderij zo helder waren de kleuren. En zo helder waren ook haar gedachten.’

Ik luister naar Coopers stem, warm en vriendelijk. Zijn intonatie is verrassend goed en hij leest de zinnen zoals ik ze zelf zou lezen. Even kijkt hij op van de bladzijde. Ik dwing mezelf niet weg te kijken, maar hem aan te blijven staren in zijn ogen die net zo azuurblauw moeten zijn als het blauw uit het boek. De pijn in mijn hand ben ik allang vergeten, evenals mijn wijn. Ik heb mijn glas nog niet aangeraakt.

Cooper leest verder. Ik verlies mezelf in het verhaal en in de voorlezer ervan. Na een paar bladzijden komt Cooper naast me op de bank zitten. Ik voel mijn hartslag sneller gaan, in mijn linkerhandpalm staat zweet. In mijn rechterhandpalm plakt de huishoudfolie tegen mijn huid.

Dan opeens klinkt er een piepje. Cooper haalt zijn telefoon uit zijn broekzak. Daarna klapt hij het boek dicht. ‘De rest zul je zelf moeten lezen, ik moet gaan.’

‘Bedankt,’ weet ik er nog net uit te persen voordat hij het boek op de salontafel legt en verdwijnt. Ik drink het wijnglas in één teug leeg, daarna ga ik naar boven. Het boek laat ik liggen.

 

Ik had lang staan twijfelen voor Coopers huis deze ochtend, maar uiteindelijk had ik mijn hielen in het zand gedraaid en was ik op mijn fiets naar de wolshop gestapt. Na gisteravond kan ik zijn stem niet meer uit mijn gedachten krijgen. Steeds weer hoor ik hem voorlezen uit de roman die zo lang op me had liggen wachten. Toen hij er gekscherend mee in zijn handen had gestaan, had ik lichte paniek gevoeld. Ik wilde helemaal niet dat hij er in zou lezen, laat staan dat hij er iets hardop uit zou voorlezen. Maar bij de eerste klanken was ik week geworden. Misschien kwam het door het verhaal dat al direct prachtig begon, misschien was het Coopers stem. Ik durf het niet te zeggen.

‘Goedemorgen,’ zeg ik als ik de winkel binnenkom.

‘Goedemorgen, Allison.’

Nana ziet er vandaag iets minder moe uit. Ze is al druk in de weer en loopt naar de opslagruimte waar ze een doos schuivend de winkel in duwt.

‘Wacht, ik help je.’

‘Deze spullen wil ik morgen meenemen naar de havenfeesten.’

‘Oké, alleen deze doos?’

‘Nee, daar staan nog meer spullen. Die moeten ook allemaal nog worden ingepakt.’

Ik pak een lege doos en stop er kokers met breinaalden in als nana een gilletje slaakt.

‘Wat is er met je hand?’ vraagt ze geschrokken.

‘O, ongelukje.’

‘Heb je je verbrand?’

‘Ja, hete melk.’

‘Och, lieverd. Heb je goed gekoeld?’

‘Ja, heus, het valt allemaal reuze mee.’

Op dat moment komt er een klant binnen. Het is mevrouw Everton. ‘Goedemorgen, dames.’

‘Goedemorgen,’ zegt nana. ‘Waar kan ik u mee helpen?’

‘Ik heb wat katoen nodig, maar eerst geef ik je dit boek terug, Allison. Wat een mooi verhaal. Heb je nog een tip voor me?’

‘Dat heb ik zeker.’ Ik noem nog drie titels op van dezelfde schrijfster. Mevrouw Everton knikt gretig. Daarna begint ze een lang verhaal over een patroon dat ze in een of ander tijdschrift heeft zien staan. Nana helpt haar met het uitzoeken van de juiste kleur katoen.

Ik luister niet meer naar hen, maar haal een paar bollen wol uit het houten vak en plaats het boek erin. Ik duw het helemaal tegen de kant en stel me voor dat er nog een rijtje boeken naast staat. De houten vakken die mijn opa voor de wol van nana heeft gemaakt zouden ook perfect zijn als boekenkast. Ik sluit mijn ogen en zie een hele wand vol boeken voor me. Een bescheiden piepje haalt me uit mijn dagdroom.

Ik weet niet hoe vlug ik mijn telefoon uit mijn zak moet halen. Het is een berichtje van Olivia. Ik merk dat ik zwaar teleurgesteld ben, omdat ik stiekem hoopte dat ik een bericht van Cooper had ontvangen. En dan pas besef ik dat ik hem mijn nummer niet heb gegeven. Met een zucht open ik het appje van Olivia en lees wat er staat: “Nog iets gehoord van je nieuwe, irritante buurman?” De reeks met smileys die er achter staat lijkt eindeloos. Ik grinnik en typ terug: “Vertel het je straks.”

Direct komt er weer een bericht van Olivia binnen. “Niet straks. NU.” De hoofdletters zeggen genoeg; Olivia is weer eens ongeduldig. Ik grinnik opnieuw en typ nog een laatste regel terug “Moet nana helpen” en klik dan op verzenden. Ik weet nu al dat Olivia staat te stampvoeten.

‘Allison, ik moet even weg.’
Ik zie dat nana met haar handtas om haar arm bij de deur staat. Mevrouw Everton heeft de winkel inmiddels verlaten.

‘Nu?’

‘Sorry, ik was vergeten het tegen je te zeggen. Ik heb een afspraak buiten de deur.’

Nog voordat ik verder iets kan vragen, is al nana verdwenen. Zou ze weer met die vreselijk onbeschofte kerel hebben afgesproken? Olivia en Skip denken dat ze een relatie met hem heeft, maar ik hoop toch van niet. Ongewild gaan mijn gedachten naar Cooper. Ik heb nana nog niets over mijn nieuwe buurman verteld. Het leek me beter, omdat ze de laatste dagen duidelijk iets anders aan haar hoofd heeft. En misschien ook wel omdat er gewoon niets te vertellen is. Maar waarom doet mijn buik dan steeds zo raar als ik aan hem denk? Ik roep mezelf tot de orde en ga verder met het inpakken van de rest van de dozen voor de havenfeesten.

Twee uur later is nana pas terug van haar afspraak. De vermoeidheid op haar gezicht is weer terug en ik vermoed dat ze opnieuw de zilvergrijze schreeuwlelijk heeft ontmoet. Even denk ik erover om haar ermee te confronteren, maar uiteindelijk houd ik de hele middag toch mijn mond.

‘Alles staat klaar voor morgen,’ zeg ik aan het eind van de dag.

‘Dank je wel, Allison.’

‘Zullen we samen eten?’

‘Ja, dat is gezellig.’ Nana loopt al de trap op naar boven. Het is duidelijk dat ik de kassa moet opmaken en moet afsluiten.

 

‘En?’ Olivia staat in de deuropening en ik sta nog op de stoep.

‘Ook hallo,’ zeg ik gespeeld gepikeerd.

‘Vertel.’

‘Mag ik eerst even binnenkomen?’ Ik loop met overdreven grote stappen de woonkamer in waar Skip in kleermakerszit op de grond zit. Hij klopt met zijn hand op de bank. ‘Ga zitten en vertel.’

Met een zucht neem ik plaats op de bank. Olivia komt dicht naast me zitten.

Ik steek mijn rechterhand in de lucht. Er zitten inmiddels rozerode vlekken op.

‘Wat heb je gedaan?’ gilt Skip. Hij houdt zijn handen voor zijn gezicht.

‘Verbrand.’

‘Verbrand?’ vraagt Olivia. ‘Hoe dan?’

‘Hete melk, maar dat doet er niet toe. Wat belangrijker is, is wie er op de stoep stond om me te redden.’

‘Cooper?’ vragen Olivia en Skip in koor.

‘Yep.’

‘Wat heeft hij gedaan?’

‘Hij hield mijn hand onder de kraan.’

‘De redder in nood,’ zucht Skip. ‘Ik ben benieuwd hoe hij eruit zou zien in zo’n brandweerpak.’

‘Vast heel goed,’ grinnik ik.

‘O, je hebt het te pakken! Je bent verliefd op je nieuwe buurman.’ Olivia’s lippen kunnen niet in een nog bredere lach worden getrokken.

‘Ally is in loooove.’ Skip springt op en propt zich bij ons op de tweepersoonsbank. ‘Vertel!’

‘Pff… ik weet niet, er is eigenlijk helemaal niets te vertellen en toch moet ik steeds aan hem denken.’

‘Wat hebben jullie gedaan toen je hand was verzorgd?’

‘Skip!’ roept Olivia hem tot de orde.

‘Nou, dat mag ik toch wel vragen. Wij hebben toch geen geheimen voor elkaar?’

‘Hij heeft me voorgelezen.’

‘Wat?’

‘Ja, uit een boek waarin ik net wilde beginnen. Romantisch toch?’

Skip gaat weer op de grond zitten. ‘Ja, misschien wel,’ zegt hij enigszins teleurgesteld.

‘Heb je hem daarna nog gesproken?’ vraagt Olivia. ‘Heeft hij nog gebeld?’

‘Ik heb hem mijn nummer niet gegeven.’

‘Zo dom.’ Skip schudt met zijn hoofd.

‘Hij heeft er ook niet naar gevraagd, bedenk ik me nu. Misschien heb ik het allemaal wel verkeerd geïnterpreteerd.’

‘Waarom denk je dat?’

‘Hij kreeg een appje en toen is hij direct vertrokken.’

‘Zomaar?’ Skip kijkt me aan met een grote frons op zijn lange voorhoofd.

‘Ja, ik maak het waarschijnlijk in mijn hoofd allemaal veel mooier dan dat het was.’

‘Nou, jíj hebt in ieder geval nog kans op romantiek. Ik moet nog langer wachten, Thoms boot is pas over twee weken hier.’

‘Ah nee, Ol, dat meen je niet.’ Ik leg een hand op Olivia’s arm. ‘Dan mist hij de havenfeesten.’

‘Ja, ik baal er zo van. Ik heb de hele middag staan bakken om mijn frustratie kwijt te raken. En dat is niet gelukt.’

Ze loopt naar de keuken en komt terug met schalen vol zoetigheden. ‘Kon ik dit maar iedere dag doen in plaats van veertig uur in de week me verdiepen in cijfers.’

Ik weet dat Olivia haar baan saai vindt en nu komt Thom ook nog eens paar dagen later terug dan gepland. De havenfeesten zullen voor haar dit jaar toch anders zijn zonder hem.

‘Laten we lekker een romantische film gaan kijken.’ Olivia doet duidelijk haar uiterste best haar gasten te entertainen, ook al voelt ze zich niet vrolijk.

‘Oké,’ zeg ik, ‘maar eentje die niet zo lang duurt, want ik moet morgen weer vroeg op.’

Skip geeft me een duw tegen mijn been. ‘Hè, nee hoor, we maken het gewoon lekker laat, niet zo ongezellig doen.’

 

De film was waardeloos. Na een half uur hadden we hem afgezet en hadden we nog een spel gedaan. Nu is het half tien en fiets ik naar huis met in mijn fietsmand een doos vol cupcakes.

Als ik bij het strand kom, zie ik licht branden bij mijn buurman. Ik parkeer mijn fiets tegen de muur van mijn huis en haal de doos met gebakjes uit de mand. Met bonkend hart loop ik naar het strandhuis naast me en klop op de schuifdeur.

‘Ally, wat een verrassing.’

‘Hoi,’ zeg ik, terwijl ik de doos in de lucht houd. ‘Ik kwam je bedanken.’

‘Hoe is het met je hand?’

‘Al veel beter, gelukkig.’

‘Laat eens zien.’ Cooper pakt me bij mijn pols vast en van schrik laat ik bijna de doos met cupcakes vallen. Cooper kan ze nog net opvangen. ‘Ho, voorzichtig. Je hand ziet er inderdaad goed uit. Geen blaren.’

Hij draait zich om en loopt naar binnen. Verbouwereerd blijf ik achter op de veranda.

‘Kom je nog binnen of wat?’

‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik vlug en ik stap de drempel over. De schuifdeur doe ik achter me dicht.

De inrichting van zijn strandhuis is in alle opzichten het tegenovergestelde van mijn inrichting. Ik zie weinig kleur, maar veel zwart en grijstinten die de woonkamer kleiner doen lijken dan de mijne. Nergens ligt gezellige rommel, staat een plant of een fotolijstje of zijn er snuisterijen te vinden. Wel staat naast de bank een kleine boekenkast. ‘Jij leest ook,’ zeg ik zo verbaasd dat ik me direct schaam.

‘Haha, dat had je zeker niet gedacht.’ Cooper komt de keuken uitgelopen met twee bordjes waarop hij de gebakjes heeft gelegd en zet ze op tafel.

Ik ga voor het boekenkastje staan en buk ­– het ding is misschien net iets hoger dan een halve meter – en ik ga met mijn vingers over de ruggen van de boeken. Sommige voelen glad aan, andere geribbeld alsof ze al tientallen keren zijn gelezen.

‘Wat wil je drinken? Wijn?’

‘Eh…’ Nog voordat ik kan antwoorden hoor ik hem al een fles ontkurken.

Ik neem een boek uit de kast en lees de titel: ‘“De moord in de vuurtoren.”’

Cooper neemt plaats in de bank. ‘Vreselijk goed boek.’

Ik sla het ergens in het midden open en begin hardop te lezen: ‘“Met het mes nog in zijn hand, druipend van het bloed doet hij een stap achteruit. Hij…”’ Met een klap sla ik het boek dicht. ‘Afschuwelijk.’

‘Haha, je hebt net een gewelddadig stukje te pakken. Maar heus, het is echt een goed boek.’

Ik zet de thriller vlug weer in de kleine kast.

‘Heb je deze zelf gebakken?’ vraagt Cooper met volle mond. ‘Ze zijn heerlijk.’

Ik ga tegenover hem op een zwarte leren fauteuil zitten, die net zo oncomfortabel blijkt te zijn als hij eruit ziet. ‘Nee, een vriendin van me heeft ze gemaakt.’

‘Die vriendin, is dat toevallig Olivia?’

Ik val bijna van mijn stoel. Háár naam weet hij nog wel, maar mijn naam was hij even vergeten toen hij ineens voor het terras had gestaan?

Ik knik.

‘Ze heeft talent.’

‘Klopt. Ze zou er eigenlijk iets mee moeten doen.’

Cooper pakt nog een cupcake. Ondanks dat ik er al meer dan genoeg op heb vanavond, pak ik er ook eentje. Gewoon omdat ik even niet meer weet wat ik moet zeggen. Daarna drink ik van mijn wijn. De stilte lijkt eeuwig te duren. Ik ga verzitten, probeer een onderwerp van gesprek te vinden, maar mijn hoofd lijkt opeens leeg, alsof er geen hersens meer in zitten.

De ongemakkelijke stilte maakt me zenuwachtig. Cooper daarentegen lijkt nergens last van te hebben. Hij heeft inmiddels zijn mobiel gepakt en verdiept zich in zijn scherm. Ik slik een laatste hap cake door en sla een laatste slok wijn achterover. Ik heb het me inderdaad allemaal veel mooier ingebeeld dan dat het was. Opeens voel ik me een idiote romanticus die met een doos zoete gebakjes bij haar redder in nood op de stoep staat. Een man die duidelijk toch niet hetzelfde voelt als ik. ‘Ik ga maar weer eens,’ zeg ik daarom en sta op.

‘Sorry, mijn fout, maar ik ontvang zojuist een e-mail. Ik zit te wachten op een opdracht.’

‘Opdracht?’ Ik ga weer zitten.

‘Ja, maar blijkbaar gaat hij nog steeds niet door.’

‘Balen voor je.’

‘O, dat komt wel, hoor. Het duurt gewoon wat langer.’

‘Wat voor opdracht is dat dan?’

‘Ik ben interieurontwerper. Had ik dat al gezegd?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Ik word ingehuurd om het interieur van nieuwe of verbouwde gebouwen te doen. Vorig jaar nog heb ik het hele interieur van de studiezaal van de universiteit van Brighton ontworpen.’

‘Heb jíj dat gedaan?’

‘Ja, ken jij die dan?’

Ik knik. ‘Ik heb op die uni gestudeerd. In die zaal heb ik mijn meeste uren versleten. De universiteit is een geweldig gebouw en eh… die studiezaal heeft na de verbouwing een indrukwekkende uitstraling gekregen.’ Ik moet even naar het juiste woord zoeken zonder hem te beledigen. De nieuwe industriële inrichting is mij persoonlijk te kil.

‘Dank je.’

‘En deze meubels?’ vraag ik. ‘Heb je die soms ook ontworpen?’

‘Yep, eerst op papier ontworpen en toen met mijn eigen handen gemaakt.’

Ik knik.

‘Niet jouw smaak, geloof ik?’

‘Is het zo duidelijk?’

Cooper begint te lachen.

‘Ik hou gewoon niet zo van dat strakke. Neem bijvoorbeeld dat boekenkastje. Ik vind het formaat erg schattig, misschien had het zelfs nog iets kleiner gemogen, maar er mist iets aan.’

‘Iets?’

‘Ja, weet ik veel. Een mooi kleurtje. Of wat versieringen. Het is zo… strak.’

‘Het is een boekenkast,’ zegt Cooper langzaam.

Nu begin ik te lachen. ‘Je hebt gelijk, het vervult zijn functie.’

Er valt een stilte. Cooper lijkt weer nergens last van te hebben, zo ontspannen als hij er bij zit. Zijn linkervoet ligt op zijn rechterknie, zijn rug is recht en zijn linkerarm rust op de leuning van de bank. Ik daarentegen zit met mijn benen in een zenuwachtige knoop.

‘En dat gezaag hier op de veranda? Waar was dat voor?’ doorbreek ik uiteindelijk de stilte.

‘Dat deed ik voornamelijk om mijn buurvrouw uit haar slaap te houden.’ Cooper knipoogt naar me. En daar is weer die bekende kriebel in mijn buik. Geeft hij nu toch signalen af? Heb ik het dan toch bij het juiste eind?

Cooper schenkt mijn glas bij.

‘Eh… nee, dank je. Ik moet morgen vroeg op.’

‘Jammer.’

Abrupt sta ik op. Iets wat ik eigenlijk niet wil, maar het gaat vanzelf.

‘Nou, fijne avond nog,’ zeg ik met de klink van de schuifdeur in mijn hand. Ik ben in de veronderstelling dat Cooper nog op de bank zit. Als ik omkijk, blijkt hij vlak achter me te staan. Ik kan zijn adem voelen tegen mijn huid. Hij pakt mijn rechterhand vast en wrijft heel voorzichtig over de roodverbrande plekken. ‘Ik ben blij dat de wonden meevallen,’ zegt hij zacht.

‘Dankzij jou.’ Ik voel mijn hartslag bonken. Het gaat zo tekeer achter mijn ribben, dat ik even bang ben dat Cooper het kan horen.

Ik trek de schuifdeur een stukje open, maar dan houdt Cooper me tegen. Ik heb het me niet ingebeeld. Er speelt weldegelijk iets tussen ons. Ik mag dan nog bijna niets van hem weten, ik weet wel dat ik naar hem verlang. Ik draai me naar hem toe en een zacht briesje dat door de kier van de schuifdeur naar binnen waait, speelt met de achterkant van mijn blouse. Een aangename rilling gaat over mijn ruggengraat. Ik wil iets zeggen, maar dan kust Cooper me.

***************************************************************************

Categorie
Series