De geest van de klif
15681
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-15681,bridge-core-2.0.6,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-19.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

De geest van de klif

Opnieuw wordt de stilte doorbroken door een schreeuw. Zojuist, toen ik het gekrijs voor de eerste keer hoorde, was ik ervan overtuigd geweest dat het de meeuwen waren, maar nu hoor ik dat het iemand is die roept. En diegene is in nood.
Ik laat de zware rugtas van mijn schouders glijden, die met een plof op de grond valt. De noodkreet komt van boven op de klif. Ik tuur omhoog, maar zie alleen een kalkstenen heuvel met hier en daar groene vlakken en daarboven een bewolkte lucht. Ik begin te rennen. De puntige stenen prikken in de zolen van mijn wandelschoenen. Af en toe zwik ik door mijn enkels. Ik probeer zoveel mogelijk op de met gras bedekte stukken te lopen. Ik wilde er vandaag, mijn laatste vakantiedag in het Middellandse zeegebied, een rustige klim van maken om daarna van het uitzicht te genieten en mooie foto’s te nemen. Maar de roep om hulp brengt daar verandering in.
Mijn voet glijdt weg over een gladde steen en ik raak uit balans. Bijna val ik voorover, maar het lukt me om overeind te blijven. Opnieuw klinkt er geschreeuw. De wind neemt de angstige kreet over de hoge kliffen mee, in de richting van de zee. Als ik ineens een knal hoor, sta ik abrupt stil. Wat was dat?
Ik luister aandachtig en knijp mijn ogen tot spleetjes. Ik kan nog steeds niet bovenop de klif kijken, daarvoor zou ik nog verder omhoog moeten klimmen, maar dat daar boven iets aan de hand is, is duidelijk. Ik richt mijn blik op de grond en begin weer te rennen. Mijn gejaagde ademhaling en mijn bonzende hart maken me duizelig. Opnieuw klinkt er een knal en ik duik ineen. De galm klinkt nog na als ik een gil hoor, gevolgd door luid gejammer. Zonder na te denken vervolg ik mijn weg verder omhoog.
Als ik eindelijk boven kom, zie ik een lege grasvlakte. De wind raast langs me heen en slaat mijn lange blonde lokken tegen mijn wangen. Ik veeg de plukken uit mijn gezicht en kijk om me heen. Dan pas zie ik haar staan. Een stuk verderop, op een volgende klif, staat een magere vrouw met een verwilderde blik in haar ogen. Haar gezicht is zwart van het vuil, haar jurk is gescheurd en om haar nek draagt ze een felrode sjaal. Om haar rechtervoet zit een vies, slordig verband.
De kloof tussen ons in is niet heel breed, maar de afstand is te groot om naar de overkant te kunnen springen. Voorzichtig loop ik naar de rand van de klif, steek mijn hand uit en spreek haar kalm toe. ‘Rustig maar, wat is er aan de hand?’
‘Save them. Please, save them.’ Haar woorden worden door snikken onderbroken, terwijl ze steeds achterom kijkt. In haar ogen ligt paniek verscholen, over haar wangen lopen zwarte tranen.
Ik zet nog een pas dichter naar de rand toe en kijk omlaag. De metersdiepe kloof maakt me duizelig. Vlug richt ik mijn blik weer op de vrouw.
‘Hoe kan ik je helpen?’ roep ik in het Engels.
Ineens klinkt er weer een knal. De vrouw gilt en rent in de richting van de zee. Dan, na een korte aarzeling, springt ze naar beneden.
‘Nee!’ roep ik, terwijl ik een stap naar voren doe. De grond onder mijn voeten brokkelt af. Ik val en kan me nog net op tijd aan een grote steen vastklampen. Mijn benen bungelen over de rand. Met al mijn kracht trek ik mezelf omhoog. Geschrokken blijf ik plat op mijn buik liggen. Mijn hart gaat als een razende tekeer. Bijna lag ik in de kloof.
Als ik van de eerste schrik bekomen ben, sta ik op. Ik kijk naar de overkant waar zojuist de vrouw nog stond. Is ze in de zee gevallen? Of ligt ze ergens op de rotsen?
Ik loop in de richting van de zee en kijk schuin naar beneden, naar de plek waar de vrouw terecht moet zijn gekomen, maar ik zie niets. Ik zou eigenlijk dichter naar de rand moeten gaan om het beter te kunnen zien, maar ik durf niet. Niet na mijn avontuur van zo-even. Ik zal naar beneden moeten lopen om te gaan kijken.
De weg terug gaat niet zo snel als omhoog. Ik moet goed opletten dat ik niet val en schaaf me aan puntige stenen. Voor mijn gevoel duurt het uren voordat ik de afdaling heb gemaakt. Onderweg raap ik mijn rugzak op en hang hem weer over mijn schouders. Het lukt me niet om het beeld van de springende vrouw van mijn netvlies te krijgen en ineens bedenk ik dat ik om hulp moet bellen. Ik ben blijkbaar meer in shock dan ik zelf doorhad.
Ik stop even, haal mijn telefoon uit het plastic opbergtasje dat om mijn nek hangt en bel het internationale alarmnummer. Het blijft stil aan de andere kant van de lijn, terwijl ik voorzichtig verder naar beneden loop. Als ik na een tijdje nog steeds niets hoor, check ik het toestel. Ik heb geen bereik.
Het zweet staat op mijn voorhoofd en mijn schouders doen pijn van de zware rugtas. Als ik bijna beneden ben, gooi ik het ding van me af. Ik toets opnieuw het alarmnummer in en wacht gespannen of ik verbinding heb.
Waar was die vrouw nou precies naar beneden gesprongen? Het was een stukje verderop, bij de volgende klif. Ik waag me voorzichtig op de ongelijke, met groene algen bedekte rotsenblokken, die me steeds uit balans brengen. Mijn wandelschoenen blijken toch niet helemaal waterdicht te zijn, want ik voel dat het koude zeewater mijn sokken doorweekt. Ik kijk naar boven, naar de hoge kliffen. De steile wanden lijken op me af te komen en enigszins duizelig loop ik verder. Ik heb nog steeds geen verbinding. Ik kijk om me heen, maar ik zie niemand. Aan de horizon tekent zich een groot schip af, maar het bevindt zich te ver om de aandacht van de bemanning te kunnen trekken. In mijn buik voel ik steken. Hoe moet je een slachtoffer helpen die een enorme smak naar beneden heeft gemaakt? Kan iemand zo’n val überhaupt overleven?
De gladde stenen maken langzaam plaats voor zand. Hier begint het strand. Ik tuur in de verte, naar de plek waar de vrouw ongeveer terecht moet zijn gekomen, maar ik kan niet zien of er een lichaam ligt. Het strand wordt alsmaar breder, de zee ligt steeds verder weg. Het water had haar val misschien nog kunnen breken, het zand heeft hoogstwaarschijnlijk al haar botten gebroken.
Ik begin te rennen, ik heb al veel te lang gedraald. Opnieuw tik ik het alarmnummer in en ik schrik als er opeens een vrouwenstem in mijn oor klinkt. Ze vraagt me welke hulpdienst ik nodig heb. Mijn ademhaling is te snel, ik krijg geen woord over mijn lippen.
‘Hallo,’ hoor ik haar nogmaals zeggen, ‘welke hulpdienst heeft u nodig?’
Net als ik wil antwoorden, dringt het pas tot me door. Dit kan niet. Dit is onmogelijk. Ik kijk over het strand, werp vlug een blik op de zee. Voor de zekerheid kijk ik omhoog, naar de steile rotswanden.
‘Hallo. Welke hulpdienst heeft u nodig?’
Ik verbreek de verbinding.

 

Ik weet niet hoeveel tijd er inmiddels is verstreken, maar ik heb het koud en ben nat tot op het bot. Ondanks dat ze op het strand terecht moet zijn gekomen, ben ik wel tien keer de zee in gelopen, tot aan mijn middel, maar ik zag geen lichaam. Ze is er niet. De vrouw die naar beneden sprong, is nergens te bekennen.
Verward loop ik nog een paar meter verder over het strand en zie dan, een eindje verderop, een bootje in het water liggen.  Ik voel tranen in mijn ogen prikken. Misschien is er iemand aan boord. Mijn natte zware schoenen zakken weg in het zand en strompelend bereik ik het bootje, dat van dichtbij eerder een scheepswrak kan worden genoemd. Afgebladderde verf, roestvlekken op de railing en kapotte ramen geven het een spookachtig uiterlijk. Ik heb weinig hoop dat ik er iemand aantref, toch besluit ik te gaan kijken.
‘Hallo,’ roep ik, ‘is daar…’
Nog voordat ik mijn zin kan afmaken, komt er een hond uit de kleine kajuit naar buiten gestormd. Ik schrik van de dobermann die met het schuim op zijn bek naar me gromt. Zijn opgetrokken lippen onthullen een paar scherpe tanden. Hij springt woest met zijn poten op de rand van de boot en ik kan alleen maar hopen dat de ketting die om zijn nek zit sterk genoeg is. Toch doe ik een paar passen achteruit.
Dan hoor ik gerommel en gevloek. Een man komt het dek opgelopen en schreeuwt naar de hond. Het beest legt direct zijn oren tegen zijn kop en gaat liggen. De man zegt niets tegen mij, hij kijkt me enkel vragend aan. Zijn ogen lijken zwart. Zijn warrige, zilvergrijze haar is wat langer in zijn nek en zijn volle grijze baard zit onder de nicotinevlekken. In de zongebruinde huid van zijn voorhoofd liggen diepe groeven.
Ik slik, dan open ik mijn mond. ‘Sorry, maar…’ Nu pas zie ik het grote mes achter zijn broekband en ik slik nog een keer. ‘Heeft u hier een vrouw gezien? Ze sprong van de klif. Daar,’ – ik wijs in de richting van de klif – ‘maar ik zie haar nergens. Ik begrijp het niet.’ Ik spreek Engels, in de hoop dat hij mij verstaat.
De humeurige grijsaard kijkt me doordringend aan en spuugt in de zee. Ineens bukt hij en lijkt iets van het dek op te rapen wat hij op de rand van de boot legt. Als hij zijn mes pakt, doe ik verschrikt een stap naar achteren. Hij zwaait zijn arm door de lucht en laat het mes neerkomen. Ik kan een gil niet onderdrukken. Luid lachend zwaait hij het mes door de lucht. Aan het lemmet hangt een spartelende vis.
Ik open mijn mond en wil iets zeggen tegen deze onbeschofte figuur, maar ik krijg de kans niet. Hij draait zich om en loopt de kajuit in.
Ik blijf nog een paar tellen staan, beduusd, niet wetend wat ik moet doen. Ik denk terug aan de vrouw die in paniek naar beneden was gesprongen en nu spoorloos lijkt te zijn. Zou ze echt ergens midden op zee drijven? Maar ze was niet in het water gesprongen. Het strand is breed onder de klif, ze moet in het zand terecht zijn gekomen.
Misschien moet ik het laten rusten. Ik kan niets meer voor haar doen. Maar dan opeens herinner ik me wat ze had geroepen. Ze had me gevraagd om hen te redden. Maar wie bedoelde ze? En hoe moet ik ze redden? Van wie? Of van wat?

 

Morgen rond deze tijd zit ik in het vliegtuig richting huis. Na een toer langs enkele Griekse eilandjes en een bezoek aan het zuiden van Italië waar ik met andere rugzaktoeristen tot laat in de nacht in de barretjes heb gezeten, zijn de prachtige kliffen van Malta mijn laatste bezienswaardigheid aan de Middellandse Zee. Dan zit mijn reis van twee maanden erop. Ik heb van hostel naar hostel getrokken, nieuwe mensen ontmoet en een gezellige tijd gehad. Deze laatste paar dagen wilde ik bewust hier doorbrengen om, voordat ik straks aan een masteropleiding ga beginnen, van de rust en de natuur te kunnen genieten. En dat is me gelukt, tot vandaag.
De duisternis is inmiddels gevallen als ik het kleine dorpje iets verderop bereik. Mijn kleding is nog steeds doorweekt en klappertandend passeer ik twee oudere vrouwen die, onverstaanbaar brabbelend, me wantrouwig aankijken. Ik negeer ze en loop verder door het hellende straatje. Als ik links achterin het straatje een uithangbord van een bekend biermerk zie hangen, slaak ik een zucht van verlichting. In het café kan ik me opwarmen en vragen naar een slaapplaats.
Aan de bar zitten drie mannen die direct omkijken als ik binnenkom. Ze zijn al op leeftijd en doen me denken aan de onvriendelijke visser van vanmiddag. Een van de barzitters schudt met zijn hoofd en mompelt iets. De andere mannen schieten in de lach en beginnen luid tegen elkaar in het Maltees te praten, hun ogen nog steeds op mij gericht. Achter de bar staat een jongere vrouw met kort blond haar, verder zijn er in het café geen gasten. De vrouw lacht hard om de opmerkingen van de mannen, die het duidelijk over mij hebben. Met een zucht loop ik naar ze toe.
‘Iets te drinken?’ vraagt de bardame in het Engels, terwijl ze ijverig een bierglas in de spoelbak sopt.
‘Kan ik hier ook iets eten? Heeft u soep?’
De vrouw snuift een keer en knikt. Daarna loopt ze de keuken in.
Ik heb inmiddels een plekje bij het raam gevonden als de vrouw met een klap de soepkom voor me op tafel zet. Een deel van de tomatenbrij, die niet eens in de buurt van soep komt, vliegt over de rand. Ze lijkt zich er niet druk om te maken en loopt weer terug naar de bar.
De dikke soep smaakt verbazingwekkend goed en ik begin een beetje op te warmen, ondanks de kletsnatte broekspijpen die aan mijn benen plakken.
‘In het water gevallen, liefje?’
Ik schrik op van een stem die uit een donkere hoek achter in het café komt. Ik had de man van middelbare leeftijd, gekleed in een grijze wollen trui, nog niet eerder opgemerkt. Aan zijn voeten draagt hij rubberlaarzen, zijn handen houdt hij om een grote pul bier geklemd.
‘Eh…’ stamel ik, ‘zoiets.’
‘Zoiets?’
De man klinkt vriendelijk, heel anders dan de drie lompe kerels aan de bar.
‘Er is me vandaag iets heel vreemds overkomen. Ik was een klif aan het beklimmen, toen ik ineens hulpgeroep hoorde.’ Het doet me goed mijn verhaal te doen. ‘Ik rende naar boven,’ ga ik verder, ‘en daar stond een vrouw. Ze was duidelijk in paniek. Ze riep dat ik “hen” moest redden. Daarna sprong ze naar beneden.’
‘Van de klif?’
‘Ja, van de klif,’ zeg ik zacht. Ik neem nog een hap van de soep, die ineens zijn smaak heeft verloren. Dan kijk ik op. Niemand zegt iets, ook de man in het donker niet.
‘Ik ben gaan kijken,’ vervolg ik mijn verhaal. ‘Toen ik beneden kwam, was ze weg.’
‘Weg?’ vraagt de barvrouw.
‘Ja, ze was nergens te bekennen. Ze lag niet op het strand en ook niet in de zee. Dat is toch raar?’
‘Je hebt de geest van de klif gezien,’ zegt de middelste van de drie mannen aan de bar. Hij heeft zich inmiddels omgedraaid op zijn barkruk.
‘Geest?’ vraag ik.
‘Ja, af en toe laat ze zich zien.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, ik heb geen geest gezien. Dit was een vrouw van vlees en bloed. Ze praatte tegen me, ze huilde.’
‘De kliffen doen rare dingen met je.’
‘Nee,’ zeg ik nogmaals. ‘Ik weet wat ik heb gezien.’
‘Maar nadat ze was gesprongen, was ze weg?’ vraagt de barvrouw nogmaals.
Ik knik.
‘Dat doet ze altijd.’
De mannen aan de bar schieten in de lach. ‘Op de geest van de klif,’ roept de middelste. Hij heft zijn bierglas en zijn twee vrienden klinken hun glazen ertegenaan.
Ik voel woede in me opborrelen. Terwijl de stamgasten me meesmuilend aankijken en grapjes blijven maken, lepel ik mijn soep op en schuif vervolgens de lege kom van me af. Ik ben doodmoe en heb behoefte aan een warme douche en een bed.
‘Kan ik hier ergens slapen?’ vraag ik boven het gebulder van de mannen uit.
‘In het volgende dorp is een hotelletje. Hier niet,’ antwoordt de barvrouw.
‘Hoe ver is dat?’
‘Een kilometer of zes, misschien iets meer.’
Met een zucht haal ik mijn portemonnee tevoorschijn en tel het weinige geld dat ik nog heb. Ik hoop maar dat het genoeg is voor de soep. Voor een ritje met de bus moet ik eerst aan meer geld zien te komen.
‘Is er hier een pinautomaat in het dorp?’
Nu proesten de dronkaards het uit.
Wanhopig zoek ik contact met de enige vriendelijke man hier binnen, maar als ik de donkere hoek in kijk, ontdek ik dat zijn stoel leeg is.
Ik reken af aan de bar en duik het toilet in. In de gebarsten spiegel zie ik pas hoe afschrikwekkend ik eruit zie. Mijn haar pluist en klit, ik heb wallen onder mijn ogen en mijn wangen zijn smerig. Ik gooi een plens water in mijn gezicht en met een papieren doekje uit de automaat veeg ik het vuil eraf. Uit mijn rugzak haal ik schone kleren die tot mijn ergernis vochtig aanvoelen. Toch doe ik ze aan, alles is beter dan die kletsnatte broek waar ik al de hele middag in rondloop. Als ik mijn schoenen weer aantrek voel ik dat mijn schone, droge sokken direct nat worden. Ik zucht en moet vechten tegen de tranen die achter mijn ogen prikken. Dit was niet het geplande einde van een lange, geweldige vakantie. Ik laat mijn natte kleren op de vloer liggen en schuif ze met mijn voet in de hoek. Die mogen die onvriendelijke lui hier houden. Als ik het café uitloop, kijk ik niemand meer aan.

 

Buiten is het nog een stukje frisser geworden. Volgens de meeste reisgidsen en het internet komt de nachttemperatuur hier in het winterseizoen niet onder de nul graden, maar ik heb moeite dat nu te geloven. Het voelt alsof mijn ledematen zijn bevroren, maar misschien komt dat doordat ik vanmiddag in dat koude zeewater heb gestaan. Als ik mijn reis in het hoogseizoen had gepland, hadden de temperaturen me in ieder geval opgewarmd, maar ik wilde per se niet tijdens de zomermaanden hier rondtrekken wanneer hordes toeristen zich op de mooie plekjes verdringen. Het kleine aantal rugzaktoeristen met wie ik enkele dagen in Italië en Griekenland heb opgetrokken, was voor mij precies genoeg. Ik had me erop verheugd om deze twee maanden van zelfstandigheid in alle rust af te sluiten met een verblijf in een natuurlijke omgeving. Nu verlang ik naar een zwoele zomeravond op een gezellig terras vol met andere toeristen in plaats van een ijskoude wandeling in een uitgestorven dorp met eigenzinnige bewoners. Bij gebrek aan vriendelijkheid, pak ik mijn mobiel. Ik heb behoefte aan de vertrouwde stem van mijn moeder. De hele middag heb ik lopen twijfelen of ik haar zou bellen om te vertellen wat me is overkomen, maar ik wilde haar niet ongerust maken. Ze was ook al niet echt voorstander van het feit dat ik zo lang alleen op reis ging en dus ik besluit haar niets te vertellen over de vrouw die van de klif sprong en daarna op mysterieuze wijze verdween. Als ik de toetsen indruk, reageert de telefoon niet en de teleurstelling is dan ook groot als ik erachter kom dat mijn batterij leeg is. Even twijfel ik of ik het toestel in het café zal opladen, maar mijn gevoel zegt dat zelfs een beetje stroom aftappen hier niet op prijs wordt gesteld.
Het is inmiddels donker en de hemel telt geen enkele ster, slechts wolken waar een miezerregen uitvalt. In het kleine dorpje zijn geen straatlantaarns en de bewoners van de weinige huizen die er staan, hebben de luiken gesloten. Volgens de barvrouw ligt het volgende dorp ongeveer zes kilometer verderop of misschien wel meer. Dat is ruim een uur lopen, misschien zelfs wel anderhalf uur in het donker. En welke kant moet ik op? De accu van mijn telefoon is leeg, dus ik kan de navigatiefunctie niet gebruiken. Bij de gedachte alleen al dat ik in het donker zou kunnen verdwalen, zakt de moed me in de schoenen.
Ik schrik als een hand me ineens bij mijn schouder pakt. Met een kleine gil draai ik me om. Het is de man uit die donkere hoek in het café.
‘Ga naar huis!’
Zijn toon klinkt dwingend.
‘Wat?’
‘Bemoei je er niet mee.’
‘Maar…’ zeg ik.
‘Ga!’
Hij knijpt hard in mijn schouder en ik kerm van de pijn. Ineens is deze man niet meer zo sympathiek, maar is hij nog vager en norser dan de andere bewoners die ik tot nu toe heb ontmoet. Ik sla zijn hand van me af en loop langzaam achteruit. Wat bedoelt hij? Waar mag ik me niet mee bemoeien? Wat is hier aan de hand? Dan ineens rent hij weg en blijf ik alleen achter in de stille, nauwe straat.

 

Er zijn slechts een paar minuten verstreken als ik een plekje zie waar ik de nacht kan doorbrengen. Het regent inmiddels flink en mijn kleren zijn weer drijfnat, dus het vervallen afdakje dat ik heb ontdekt, is meer dan welkom. De vele vuilniszakken die in een lange rij tegen de muur staan, verspreiden een visgeur die me misselijk maakt. Ik doe een halfslachtige poging de zakken weg te slepen, maar het zijn er te veel. Bovendien zijn ze behoorlijk zwaar. Uiteindelijk zet ik drie zakken voor de ingang van mijn schuilplaats, in de hoop dat ze me een beetje tegen de koude wind zullen beschermen. De stank neem ik voor lief.
Ik kruip onder het afdak en zet mijn rugtas tegen de muur. Met opgetrokken knieën ga ik met mijn rug er tegenaan zitten. Ik sla mijn armen over elkaar en laat mijn hoofd erop rusten. Geen ideale houding, maar languit liggen zal niet gaan. Daarvoor heb ik te weinig ruimte.
Ik probeer het geluid van de regen die op de golfplaten neerklettert te negeren. Red hen. De woorden van de vrouw dringen mijn hoofd weer binnen. Wie bedoelde ze? En waarom reageren de dorpsbewoners zo vreemd? De herrie van de regen verdwijnt langzaam naar de achtergrond en ondanks dat ik het koud heb, voel ik dat de slaap de overhand begint te krijgen. Ik sluit mijn ogen en beetje bij beetje zak ik verder weg. Totdat de geluiden ineens weer binnenkomen. Het kabaal lijkt indringender dan zojuist en ik voel een warmte. De aangename gloed tintelt op mijn huid. Vanachter mijn oogleden zie ik een rode kleur en ik open mijn ogen. De vlammenzee die ik voor me zie lijkt onwerkelijk. De vuilniszakken staan in lichterlaaie en ik begin te hoesten door de zwarte, stinkende walm. Ik wil vluchten, maar de vlammen hebben de enige uitgang in hun greep. Ik kan niet weg. Dan hoor ik zware voetstappen die zich snel verwijderen.
‘Help!’ schreeuw ik. Ik probeer zo hard mogelijk te roepen, maar mijn keel wordt gevuld door rook. Ik barst in hoesten uit, mijn ogen prikken en ik voel de hitte toenemen. Het vuur knettert om me heen. Ik schuifel nog iets naar achteren, maar ik kan geen kant op. Als ik de rugzak in mijn rug voel drukken, draai ik me een halve slag. Ik pak de tas en ga op mijn hurken zitten. Dan beuk ik door de vlammenzee, de rugzak als een stormram voor me houdend. Ik ren, blijf rennen en gooi de rugzak op de grond. Ik zie dat de voorkant ervan in brand staat en vlug draai ik hem om met mijn voet. Daarna schop ik de tas over de natte stenen, terwijl ik mezelf check. Mijn haar schroeit en in paniek sla ik op mijn hoofd. Dankbaar dat het nog steeds regent, wrijf ik met mijn handen over mijn lichaam. Pas als ik ervan overtuigd ben dat ik niet in brand sta, val ik hoestend en huilend op mijn knieën op straat.

 

Ik weet dat de brand niet spontaan is ontstaan, iemand heeft geprobeerd me te vermoorden. Ik bekijk de rugzak en zie dat de hele voorkant beschadigd is. Het zwartgeblakerde canvas stinkt en ik doe een poging er nog wat kleren uit te halen, maar alles is of verschroeid of kletsnat. Ik kijk om me heen. Ondanks mijn geschreeuw en het knetterende vuur dat mijn schuilplek verwoest, is er niemand op straat. Het is onmogelijk dat het hele dorp hier doorheen slaapt.
Ik laat mijn rugtas midden op straat liggen en begin te lopen. Dwalend door de donkere, nauwe straatjes, die geen enkele nieuwe schuilplaats bieden, merk ik pas dat mijn hele lichaam trilt. Dit was de tweede keer vandaag dat ik de dood in de ogen keek. Het feit dat ik bijna in de kloof was gevallen had me flink van slag gebracht, maar de brand was het toppunt. Ik moet hier weg en snel ook.
Ik wil net de hoek omlopen als ik iemand hoor praten. Abrupt blijf ik staan en luister aandachtig. Ik herken die stem. Als ik geblaf hoor, weet ik zeker dat ik het goed heb: het is de man van de vissersboot. Heel voorzichtig gluur ik om de hoek. Hij is niet alleen. In totaal staan er een man of acht en ik schrik als ik zie dat een van hen een fakkel in zijn hand heeft.
Vlug trek ik mijn hoofd terug, niet wetend wat ik moet doen. Ik probeer te luisteren naar wat ze zeggen, als hun stemmen ineens duidelijker klinken. Ze komen dichterbij. In paniek kijk ik om me heen waar ik me kan verstoppen. Ik hoor iemand zeggen dat de vrouw geen probleem meer is. Ik slik, tranen rollen over mijn wangen en ik kan mijn benen bijna niet meer bewegen van angst.
‘Ga kijken,’ verheft de visser zijn stem.
‘Ik hoef niet gaan te kijken, die bemoeial is zo zwart als kool. Geloof me nou maar, die kon geen kant op.’
‘Ga kijken!’
Ik hoor gevloek, daarna geslof. Direct kom ik in beweging. Ik ren het straatje door in de hoop dat ze mijn voetstappen niet horen. Ik speur de oude vervallen huizen af, maar ik zie geen enkel plekje waar ik me kan verstoppen. Er is geen garage of schuurtje en ik zie ook geen muurtje waar ik achter kan zitten. De terracotta potten met cactussen die her en der bij voordeuren staan zijn veel te laag, de enkele boompjes die ernaast staan veel te iel. Al rennend kijk ik achterom, nog niemand te zien, maar het zal niet lang meer duren voordat hij de hoek om komt. Ik blijf rennen, sla een ander, nog smaller straatje in en zie dan links van me een verlicht pleintje liggen. Even houd ik mijn pas in. In het midden van het plein staat een klein, wit kerkje. Ik snel ernaartoe en hoopvol duw ik de klink van de houten deur naar beneden, maar deze geeft niet mee. Ik loop snel naar de zijkant van de kerk en begin te lachen en tegelijkertijd te huilen als ik daar een paar grote struiken zie. Ik duik achter het struikgewas en wacht af. In de verte hoor ik voetstappen dichterbij komen, ze hebben hetzelfde ritme als mijn snelle ademhaling. Ik knijp mijn ogen dicht, houd mijn adem in en hoor dat de man voorbijloopt. Pas na een paar tellen durf ik weer uit te ademen en mijn ogen open te doen. Tussen de takken van de struik door zie ik een lange, magere man. Op zijn rug bungelt een geweer.
Als hij stopt en omkijkt, lijkt het alsof mijn hart stilstaat. Hij pakt zijn geweer en ik sla mijn hand voor mijn mond, bang dat ik het anders ga uitschreeuwen. Het lijkt uren te duren voordat de man weer verder loopt. Als hij de hoek om is, durf ik mijn hand pas weer weg te halen. Dan denk ik aan de rugtas die op straat ligt.
De bewapende man is al enkele tellen de hoek om en toch blijf ik nog stil liggen. Ik durf niet op te staan. Zo dadelijk ontdekt hij dat ik nog leef en zal hij de andere mannen waarschuwen. Angstvallig houd ik me verscholen tussen de struiken, piekerend wat ik nu het beste kan doen. Ik moet weg uit dit dorp. Ik heb geen keus, ik zal lopend naar de volgende plaats moeten zien te komen.
De man komt maar niet terug en net als ik dat bedenk, hoor ik zijn maten eraan komen. De visser gaat voorop met de aangelijnde dobermann. Ik ben blij dat het beest niet losloopt, want hij zou zeker weten mijn angstzweet ruiken.
Ik duik nog iets verder in elkaar en kijk door de takken van de struik naar het gezelschap, dat richting de plaats van de brand loopt. Ik volg hen met mijn ogen en denkbeeldig duw ik ze het pleintje over, het kan me niet vlug genoeg gaan. Ik ben van plan het op een rennen te zetten, zodra ze uit het zicht zijn verdwenen.
De visserman slaat de hoek om, maar de dobermann blijft staan. Het dier begint te blaffen en trekt aan de riem. Even kijk ik in zijn valse ogen die oplichten in het donker. Ik krijg geen adem meer, hij heeft me opgemerkt. Klaar voor de slachtbank wacht ik op het moment dat zijn baasje terug de hoek om komt, maar in plaats daarvan geeft de fakkeldrager de hond een trap. Het beest begint te janken en gehoorzaamt uiteindelijk door verder te lopen. De gelige gloed van de fakkel schijnt nog net op de felrode sjaal die de dobermann om zijn nek heeft.

 

Sinds ik het dorpje uit ben gevlucht ren ik richting de kliffen. Daar zal ik de nacht doorbrengen om morgenvroeg, als het licht is, naar het volgende dorp te lopen. Een nachtelijke wandeling van meer dan een uur zie ik toch niet zitten. Mijn lichaam is te moe, ik heb het te koud. Ik moet me de komende uren hier schuilhouden voor de moordlustige dorpsbewoners die achter me aan zitten. Waarom willen ze mij dood hebben? Wat is er hier aan de hand wat niemand mag weten?
Ik haal opgelucht adem als ik uiteindelijk het strand bereik. Het is inmiddels gestopt met regenen en de maan perst zich dapper door de dichte bewolking heen. De schittering van het maanlicht op het wateroppervlak voelt als een klein lichtpuntje in deze gitzwarte nacht.
Met mijn handen tegen de rotswanden voor houvast waggel ik over het strand. Mijn benen zijn oververmoeid en ik besluit om tussen twee kliffen in een plekje te zoeken waar ik kan uitrusten. Intussen luister ik aandachtig of ik stemmen hoor of het geblaf van de dobermann, maar ik hoor alleen het ruisen van de zee. Dan zie ik in de verte een bootje liggen en ik herken het direct. Het is het vervallen wrak van de visser.

 

Het bootje ligt voor anker, maar schommelt hevig als ik op het dek klim. Een penetrante geur dringt direct mijn neus binnen en ik onderdruk een kokhalsneiging als ik om me heen tientallen dode vissen zie liggen. Ik denk terug aan het enorme mes waar de grijsaard koelbloedig een van deze jongens aan had geregen. Ik ril en ineens weet ik niet meer zo zeker of het zo’n goed idee is om hier te gaan rondneuzen. Wat als de eigenaar met zijn hond terugkomt? Maar de rode sjaal om de nek van het dier heeft me overtuigd. De visser had geen reactie gegeven toen ik naar de vrouw vroeg. Maar hoe komt hij dan aan die sjaal?
Ik schrik op als ik boven op de klif geblaf hoor. Ze zijn in de buurt. Ik duik de kajuit in, maar halverwege het trapje sta ik stil. Het is er pikkedonker. Voorzichtig loop ik naar beneden, stoot mijn hoofd en wrijf even over de pijnlijke plek. Het liefst ga ik op zoek naar een lichtknop, maar daarmee zou ik me direct verraden en dus schuifel ik in het donker door de kajuit. Op de tast strek ik mijn armen en voel dingen die ik niet kan thuisbrengen. Als mijn vingers blijven haken in wat waarschijnlijk een vissersnet is, raak ik in paniek. Ik zit verstrikt. Wild beweeg ik mijn handen, schud net zolang totdat ik van het ding ben bevrijd en doe dan een paar passen opzij. Voor ik het weet, val ik. Er ligt iets op de grond.
Voorzichtig voel ik om me heen. Het is een doek. Ik grijp het beet en kom omhoog op mijn knieën. Als ik me af wil zetten om helemaal op te gaan staan, voel ik een soort touw. Pas als ik huid voel, begrijp ik dat het geen touw is, maar dat het haren zijn.
Van schrik val ik weer op de grond en slaak een kreet. Ik weet niet of het geluid dat uit mijn keel ontsnapte hard klonk of juist gesmoord. Ik voel gal omhoog komen en op handen en voeten kruip ik naar het trappetje. Ik ga erop zitten en luister naar het hondengeblaf, dat verder weg lijkt te klinken.
Ik adem een keer diep in en uit, en kruip dan weer terug de kajuit in. Ik moet weten of ik me niet heb vergist. Met mijn vingertoppen voel ik over de stof die ik nu herken als een jurk. Ik voel blote benen en vlug trek ik mijn hand terug. De huid voelt koud en stug aan. Bijtend op mijn lip voel ik opnieuw aan het lichaam. Ik voel haar knie, haar kuit, haar enkel. En een ruw, plakkerig verband.

 

Hijgend ren ik omhoog, de klif weer op. Ik moet zo ver mogelijk weg van die boot. Ik hoop niet dat ik de mannen tegemoetloop, maar ik heb al lang geen stemmen of hondengeblaf meer gehoord. Misschien zijn ze hun zoektocht gestaakt. De mythe over een geest die ze me probeerden wijs te maken, geloofde ik absoluut niet, maar de vondst van het lichaam van de dode vrouw was het harde bewijs. Letterlijk. In gedachten voel ik nog haar stugge huid. Waarom ligt ze verborgen in de boot van de visser? En waarom wil niemand over haar praten. Wie is zij?
Als ik bovenop de klif ben, schijnt het maanlicht over de grasvlakte. Welke kant moet ik nu op? Zonder na te denken ren ik een richting op, geen idee of ik bij mijn belagers vandaan ren of dat ik ze juist in de armen loop. In het halfduister zie ik niet veel en door de ongelijke grond lukt het me haast niet overeind te blijven. Mijn benen hebben moeite mijn lichaam te dragen en ik ga langzamer lopen. Mijn ogen beginnen al iets meer aan de omgeving te wennen en ik voel dat ik rustiger word. Misschien kan ik toch naar het volgende dorp lopen? Of zal ik hier blijven en wat slaap proberen te pakken? Dan ben ik morgenvroeg beter uitgerust. Direct verwerp ik dit idee, ik doe geen oog dicht zolang ik me niet veilig voel. Moeizaam, maar vastbesloten sleep ik me verder over de top van de klif. Abrupt blijf ik staan. Ik kan mijn ogen bijna niet geloven. Zie ik dit echt of spelen mijn oververmoeide hersenen een spelletje met me? In de verte ligt een gebouw, verscholen tussen een aantal bomen. Langzaam loop ik ernaartoe.
Wanneer ik dichterbij kom, zie ik in het weinige maanlicht op de voorgevel een gouden beeltenis van een heilige, de naam die eronder staat kan ik niet lezen. Het is een klooster dat, gezien de staat van het gebouw, allang niet meer in gebruik is. Misschien kan ik hier vannacht schuilen?
Ik rammel aan de klink van de grote houten dubbele deur, maar die zit potdicht. De ramen zijn dichtgespijkerd. Alleen voor de hoge glas-in-lood ramen zit geen hout. Door een dikke laag stof en vuil worden hun kleuren niet door het maanlicht onthuld. Alles erachter is donker.
Net als ik me afvraag hoe ik het gebouw binnenkom, hoor ik een geluid. Ik kijk om me heen, raap snel een grote steen op en houd deze stevig in mijn hand geklemd. Wanneer ik het geluid opnieuw hoor, laat ik de steen vallen. Het zijn niet mijn achtervolgers. Het is gejengel en het komt uit het klooster.
Ik volg het gehuil en loop langs het gebouw, helemaal naar achteren. Het komt van laag bij de grond en ik zak op mijn hurken. Ik heb het goed gehoord: het is een baby. Kruipend op mijn handen en knieën over de natte, koude grond tast ik de muur af totdat ik bij een houten plank kom. Hier heeft waarschijnlijk ook een raam gezeten. De plank is kapot en door de kier komt een zwak licht. Ik ga op de grond liggen en tuur door de opening. Een twintigtal ogen kijkt terug.
Van schrik deins ik achteruit. Een kreet ontsnapt uit mijn keel. Het klooster is niet verlaten, het zit daar vol met mensen. Nieuwsgierig spiek ik weer door de opening. Ik zie nu pas dat het allemaal vrouwen zijn. Vanonder hun dekens richten ze zich op en kijken elkaar aan. Ze hebben me gehoord. Ik zie nu ook de huilende baby. Het kind ligt in de armen van een vrouw, die tegen de muur aan zit. Ze is de eerste die haar mond opendoet.
‘Help.’
Haar stem klinkt zacht, maar door de akoestiek in de kelderruimte is het geluid buiten hoorbaar. Ik blijf stil liggen, luister naar haar geroep. Opeens beginnen alle vrouwen te praten. Hun stemmen klinken steeds luider en de baby begint harder te huilen.
‘Sst,’ sis ik door de kier. Ik wil niet dat de mannen, die naarstig naar me op zoek zijn op het geschreeuw afkomen.
‘Help. We zitten hier opgesloten. Ze hebben onze paspoorten. Help.’
Het gebrekkige Engels is moeilijk te verstaan, maar ik begrijp wat ze bedoelen.
‘Sst,’ sis ik weer. ‘Wees stil.’
De vrouwen zwijgen, maar de baby krijst inmiddels.
‘We zitten hier al heel lang. Al weken, maanden. En niemand laat ons gaan. We zouden naar Italië worden gebracht, maar er gebeurt niets.’
Ik hoef niet te vragen over wie ze het hebben.
‘Ze hebben al ons geld, we hebben niets meer. We hebben honger en het is koud.’
De vrouwen vertellen vol emotie hun verhaal. Ik luister naar hen, terwijl ik probeer de plank weg te halen. Het hout is niet al te dik en bijtend op mijn tanden trek ik eraan. Er breekt een stuk af en hoopvol pak ik de plank opnieuw vast. Er breekt nog een stuk af, maar dan zie ik het. Achter de plank zitten ijzeren tralies.
‘Ik…’ begin ik, maar ik word onderbroken door een van de vrouwen.
‘Amira is ontsnapt. Ze is langs de bewaker geschoten. Hij had zijn hond niet bij zich.’
Amira. Vanaf nu zal ik niet alleen de blik in haar ogen, voordat ze sprong nooit meer vergeten, maar haar naam zal nu ook voor eeuwig in mijn hoofd blijven hangen.
‘Ze is zo dapper.’
Ik sluit mijn ogen een kort moment. Ze moesten eens weten.
Ik schrik op als ik geblaf hoor. Ik spits mijn oren en hoor nu ook stemmen. Ze zijn dichtbij.
‘Ik haal hulp,’ zeg ik, terwijl ik opsta. Daarna zet ik het op een rennen.
De wolken hebben zich inmiddels als een grote deken samengepakt en bedekken de maan. In het donker ren ik zo hard als ik kan, weg van de zware mannenstemmen. Ik maak grote passen, voel steken in mijn zij en probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen. Ik heb geen idee waar ik naartoe ren, blind van angst loop ik in een rechte lijn vooruit. Het geschreeuw van de mannen klinkt steeds luider, ze zitten vlak achter me. Als er een enorme knal klinkt, duik ik ineen. Direct daarna volgt er nog één. Het zijn dezelfde soort knallen als die ik de vorige dag had gehoord, maar ze lijken nu veel intenser, veel harder. Toen ik Amira op klaarlichte dag op de klif had zien staan, had ik geen mannen gehoord of gezien. En opeens besef ik dat ze zo ontzettend bang moet zijn geweest dat ze, ondanks dat haar belagers nog ver van haar verwijderd waren, geen uitweg meer had gezien.
Als ik omkijk, zie ik de mannen op me afkomen. Een van hen heeft nog steeds de brandende fakkel in zijn hand. Ik ren door en er volgen nog twee schoten. De pijn die mijn rechterbeen binnendringt, is onbeschrijfelijk en ik val op de grond. Ik grijp met mijn hand naar de getroffen plek, voel plakkerig bloed en begin te trillen. Veel tijd om de schotwond te verwerken heb ik niet, want een volgende kogel boort zich naast me in de grond. Ik gil, sta op en strompel verder. Mijn wangen zijn nat van de tranen, ik val, probeer weer op te staan, maar het lukt me niet meer. Slepend met mijn been kruip ik over het natte gras. Ik wacht op een volgend schot dat deze keer fataal zal zijn, maar er gebeurt niets. Ik hoor geen mannenstemmen meer, geen hondengeblaf. Beduusd hef ik mijn hoofd op. Een aantal meters verderop tekenen zich donkere gestalten af, ze staan stil, verroeren zich niet. Waarom doen ze niets?
Ik grijp me aan hoge graspollen vast en beetje bij beetje schuif ik over de grond, verder bij ze vandaan. Mijn ogen houd ik op hen gericht, maar ze bewegen nog steeds niet. Ik zet me met mijn handen af en duw mezelf naar achteren. Ik glijd steeds sneller en sneller over het natte gras, schuur af en toe over een steen en slaag erin me verder van mijn jagers te verwijderen. Misschien zien ze me niet in het donker nu ik op de grond lig? De omtrekken van hun lichamen worden kleiner, ik ben inmiddels ver van hen verwijderd. Hoever kan een geweer schieten? Zou ik al omhoog kunnen komen en gaan rennen? Lukt me dat met die kogel in mijn been? Voorzichtig voel ik aan de wond. Ik schrik van de grootte ervan en van mijn met bloed doordrenkte broekspijp. Ik schuif nog een paar meter naar achteren totdat ik opeens bekende valse ogen vanachter een donkere gestalte vandaan zie komen. De mannen beginnen luidkeels te roepen, de dobermann wordt opgehitst. Het beest begint te grommen en laat zijn tanden zien. In het licht van de fakkel kleuren de scherpe tanden wit en zien ze er angstaanjagend uit. Als de aanmoedigingen van de mannen aanzwellen, is het me direct duidelijk dat de riem van de dobermann is losgemaakt. Het dier komt met een rotgang op me afgerend en op handen en voeten kom ik overeind. Ik draai me om, bijt op mijn tanden om de pijn te weerstaan en wil wegrennen. Al na twee passen sta ik stil. Ik ben blijkbaar zo ver achteruit gekropen dat ik aan de rand van de klif sta. Onder me ligt het strand, achter me hoor ik het bloeddorstige monster dichterbij komen. Het geroep en gejoel van de mannen is overgegaan in vals gelach. Een traan rolt over mijn wang, drupt van mijn kin. Ik veeg hem niet weg. In plaats daarvan draai ik me om met mijn rug naar de zee, kijk in de valse blik van de dobermann en laat me achterover vallen.

Categorie
Schrijfsels & Verhalen